Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS LXXVH. PSALM LXXVII.

God vernedert en verheft naar verdienste.

Een historische leerpsalm: de geschiedenis bewijst, dat Ood met recht Ephraïm verstooten en Silo verlaten heeft om Juda te verkiezen en zich op Sion te vestigen. Dat dus allen zich daarin aan Ood onderwerpen! Aanhef: Men luistere naar een onderrichting, die Ood bevolen heeft te geven (v. 1—8). Het ondankbare Ephraïm is ontrouw aan Ood (v. 9—tij. — De geschiedenis toont, dat op ondankbaarheid jegens Ood steeds straf gevolgd is. Verhaal. Eerste deel (v. 12—87): Wonderen voor de vaderen gewrocht in Egypte en in de woestijn fv. 12—16); ondankbaarheid en mistrouwen des volks fv. 17—20); Gods toom fv. 21—22); Mijne weldaden: het manna, de kwartels fv. 23—29); straf fv. 80—81); verdere ontrouw, straf en bekeering zonder oprechtheid fv. 82—87). Tweede deel fv. 88—72): Gods barmhartigheid fv. 38—89). Ontrouw der Israëlieten fv. 40—42). Toch had Ood om hen te bevrijden Egypte geslagen fv. 48—61) en hun het bezit van Chanadn geschonken fv. 52—55). Ook daar waren Mij ontrouw fv. 56—58). God» toorn en straf: Hij verwerpt Silo en Ephraïm en verkiest Sion, Juda en David fv. 59—72).

1. Intellectus Asaph. i 1. Tot onderrichting. Van Asaph1).

Attendite popule meus legem me- | Luister, mijn volk, naar mijne

te vertrouwen bij de gedachte aan zooveel wonderen door Hem gewrocht om zijn heilige plannen te volvoeren (v. 12—15a); immers bij alle volkeren heeft Hij getoond wat Hij vermag; Hij heeft ze vrijgekocht door Christus, zijnen arm (v. 15b, 16). Die volkeren, een zee van menschen, hebben Hem in zijne werken gezien en zijn in het diepste van hun hart ontroerd geworden, toen de apostelen voorbijgingen en alom hunne stem deden hooren (v. 17—19. Vgl. Rom. X 18). Zoo volgt God zijne geheimzinnige wegen in het bestuur der wereld om de zijnen door zqne Kerk tot het heil te brengen (v. 20, 21). Aldus nagenoeg ook o. a. Bellarminus.

') Vgl. Ps. XXX noot 1 en XLIX noot 1. Allerwaarschijnlijkst was deze Asaph een tijdgenoot van David en vond hij in het verzet der Ephraïmieten tegen hem een aanleiding om door dezen Psalm hen en alle Israëlieten tot onderwerping aan den door God uitverkoren koning aan te sporen. Van oudsher had de stam van Ephraïm macht en invloed bezeten; stervend had Jacob (Gen. XLVIII19) Ephraïm's overwicht voorspeld en op hem en Manasse was het door Ruben verloren

eerstgeboorterecht overgegaan (I Par. V 1; Gen. XLVIII, noot 4 en XLIX, 12 en 14); daarenboven moesten het aantal en de dapperheid der strijdbare mannen van dien stam, zqne vestiging in het midden van Chanaan en het aanzien van Josue, een Ephraïmiet (1 Par. VII 27), het hunne er toe bijdragen om aan dien stam den voorrang te verzekeren, zoodat zelfs Gedeon en Jephte daarmede te rekenen hadden. (Jud. VIII 1—2 en XII 1 volg.). Die mvloed steeg toen Saül uit den bevrienden stam van Benjamin, zoon van Rachel, de stammoeder van Ephraïm, koning werd, maar vooral doordien zich zoo geruimea tijd de Ark én het Heiligdom van Israël te Silo op hun grondgebied bevond. Geen wonder, dat de Ephraïmieten met tegenzin de verheffing van David en dus van den stam van Juda, en de overbrenging der Ark van Kirjath-Jearim («Cariathiarim») naar Sion zagen. Daarom tracht Asaph hen hier tot rede te brengen, door er op te wijzen, dat God uit vrijen wü David en Sion uitverkozen en daarbij niets anders gedaan heeft dan aan Ephraïm de verdiende straf geven. Immers Ephraïm had steeds door zijnen invloed het gansche volk tot ontrouw jegens God verleid; de ondankbaarheid

Sluiten