Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

58. In iram concitaverunt eum in collibus suis: et in sculptilibus suis ad semulationem eum provocaverunt.

59. Audivit Deus, et sprevit: et ad nihilum redegit valde Israël.

60. Et repulit tabernaculum Silo, tabernaculum suum, ubi habitavit in hominibus. I Reg. IV 4; Jer. VII12.

61. Et tradidit in captivitatem virtutem eorum: et pulchritudinem eorum in manus inimici.

62. Et conclusit in gladio populum suum: et hereditatem suam sprevit.

63. Juvenes eorum comedit ignis: et virgines eorum non sunt lamentatse.

64. Sacerdotes eorum in gladio ceciderunt: et viduas eorum non plorabantur.

65. Et excitatus est tamquam dormiens Dominus, tamquam potens crapulatus a vino.

66. Et percussit inimicos suos in

58. Tot gramschap zetten zij Hem aan door hunne heuvelen, en door hunne beelden tartten zij Hem uit tot ijverzucht.

59. God hoorde en Hij verachtte het, en uitermate hield HU Israël voor nietig87).

60. En Hij verstiet de tent van Silo, zijne tente, waar Hij onder menschen woonde38),

61. en Hq gaf hunne kracht over aan gevangenschap en aan vijands handen hunnen luister39),

62. en zijn volk omsloot Hij voor het zwaard, en zijn erfbezit verachtte Hij40).

63. Hunne jongelingen verslond een vuur, en hunne maagden werden niet bejammerd41);

64. hunne priesters vielen door het zwaard en hunne weduwen werden niet beweend48).

65. En de Heer werd wakker als een slapende, als een held met wijn oververzadigd43);

66. en Hij trof zijne vijanden van

wit doet missen, zoo beantwoordden zij niet aan Gods verwachting; na zooveel genaden en wonderen vervielen zij (v. 58) tot afgoderij, die zij begingen op de heuvelen en bij hunne afgodsbeelden. Zie Exod. XX noot 7.

,T) Hebr.: «en Hh" werd verontwaardigd» nl. tegen die afgodendienaars. Zie Ps. LIX, noot 13.

*•) Na de verovering van Chanaan werd Gods tent en Ark te Silo geplaatst; ten tijde van Heli viel de Ark hi de handen der Philistijnen (I Reg.

4 li); zij werd later niet meer naar

Silo teruggebracht. Voor Asaph was dit oen duidelijk bewijs, dat God Ephraïm wilde vernederen.

•*) Hun kracht en luister is hier de Ark, door welke zij zich sterk waanden en die hun, als teeken van Gods tegenwoordigheid, tot luister verstrekte. De in v. 62—64 beschreven nederlaag is waarschijnlijk die, welke I Reg. IV 10 vermeld wordt en aan Israël 30,000 man kostte.

") Het volk, dat Hij tot zijn erfbezit gemaakt had, gaf Hij met verachting prijs aan eenen onvermijdelijken dood door het zwaard.

") De jongelingen kwamen om door het krijgsvwwr, en zoo hoog was ieders nood, dat niemand de maagden bejammerde, die ongehuwd moesten blijven of gevankelijk werden weggevoerd. Hebr.: «en voor zijne jonkvrouwen zong men geen feestelijk (bruilofts)lied».

**) Ieder had genoeg aan zijn eigen leed. Hebr.: «hunne weduwen weenden niet», d. 1. zij konden niet bij de lijken hunner gesneuvelde mannen het gebruikelijke misbaar maken. Mogelijk ook is het een zinspeling op den plotselingen dood der weduwe van Phinees (I Reg. IV 19) bij het vernemen van den dood haars mans.

") Geruimen tijd had Gods arm ge: rust, alsof Hij sliep; thans maakt Hij zich op ten strijde, gelijk een held, die zich door een ruimen teug wijn tot voortvarendheid heeft opgewekt.

Sluiten