Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS LXXXIV. PSALM LXXXIV.

God schenke ons zijn heiïten volle!

Een smeekgebed, waarschijnlijk uü den tijd van Nehemias. Dankbare herinnering aan de bevrijding uit de ballingschap en de vergiffenis der oude schulden fv. 2—4). Gebed om voltooiing van het begonnen herstel

/Vm 5 y). Vertrouwen op verhooring fv. 9). Belofte van heil voor

de toekomst fv. 10—14).

1. In finem, Filiis Core, Psalmus.

2. Benedixisti Domine terram tuam: avertisti captivitatem Jacob.

3. Kemisisti iniquitatem plebis tua?: operuisti omnia peccata eorum.

4. Mitigasti omnem iram tuam: avertisti ab ira indignationis tua?.

5. Converte nos Deus salutaris noster: et averte iram tuam a nobis.

6. Numquid in aïternum irasceris nobis? aut extendes iram tuam a generatione in generationem ?

7. Deus tu conversus vivificabis nos: et plebs tua lsetabitur in te.

8. Ostende nobis Domine misericordiam tuam: et salutare tuum da nobis.

1. Tot het einde. Van de zonen van Core. Een Psalm1).

2. Gezegend hebt Gq, Heer, uw land, verwijderd de gevangenschap van Jacob*).

3. Vergeven hebt Gij de ongerechtigheid van uw volk, bedekt al hunne zonden3). ,

4. Gestild hebt Gij uw ganschen toorn, U verwijderd van den toorn uwer verbolgenheid.

5. Herstel ons, o God, onze Heiland, en verwijder van ons uwen toorn4).

6. Zult Gij voor eeuwig verbolgen zijn tegen ons, of uwen toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht? ïl 'Gij, o God, Gij zult opnieuw ons doen leven, en uw volk zal zich verheugen in U5).

8. Betoon ons, o Heer, uw barmhartigheid en schenk ons uw heil!

q Zie Ps. IV noot 1 en XLI noot 8. Na de terugkomst uit de ballingschap waren niet alle kwellingen des volks in eens verdwenen; het aanzien en de luister van vroeger waren verloren; nog steeds lag de tempel voor het grootste gedeelte in puin; de Samaritanen en anderen zochten het herstellen der muren te beletten (II Esdr. IV); misgewas en armoede teisterden het land (II Esdr. V) en ontmoediging had zich van allen meester gemaakt, zooals blijkt uit de tot hen gerichte opwekkingen der profeten Aggeus en Zacharias. Geen wonder dat de Psalmist v. 6) die kwellingen aan Gods toorn toeschrijft en Hem smeekt het begonnen verlossingswerk te voltooien. ») De onlangs bewezen barmhartig¬

heid (v. 2—4) is voor den Psalmist een reden om op de voortzetting daarvan te hopen. Het land werd gezegend door de terugkomst van Jacob, d. i. van het Israëlietische volk, uit de gevangenschap. Zie Ps. XIII noot 12. Enkelen vinden in v. 2—4 niet de reeds verleende, maar de gehoopte weldaden Gods uitgedrukt.

1 Is de kwijtschelding der straf ziet de Psalmist net bewijs, dat ook de zonden vergeven zijn, die er de oorzaak van waren. Vgl. Ps. XXXI noot 2.

*) Herstel ons nu volkomen in uwe vriendschap én in onzen vorigen bloei en glans.

6) Het «conversus» der Vulgaat is hier, gelijk elders, een Hebraïsme met de beteekenis van opnieuw. Letterlijk

Sluiten