Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS LXXXVIIL

PSALM LXXXVIIL

God vervulle de aan David gedane beloften!

tff'^r " ?armhariia *» trouw; dat hoopt de Psalmist ten aanhooren DnZ Tn 98^ '""""tigen fv. 2). Eerste deel. God deed aan

David stelhge belonen fv. 3-5), Hij, de machtige in den hemel fv. 6-9) en % TnlV' 10~U)' recht™ardW barmhartige en getrouwe fv. 15), die, als de God van Israël, zijn volk gelukkig en sterk maakt fv. 16-19) Tweede

T\n oo?hn? d€r Vr°eger aan David gegeven beloften: zijne verheffing ft». 20—22), zijne macht en begunstiging door God fv. 23—28), die woord zat Houden, zelfs als David's nakomelingen ontrouw worden fv. 29—38) Derde deel. Ondanks dat alles, schijnt God zijnen gezalfde te verstooten en aan zijne mjanden prijs te geven fv. 39-46). Zal dat nog lang duren? Het leven is zoo kort fv. 47—49)1 Moge Gods barmhartigheid zijne belonen vervullen! Beweegredenen daartoe fv. 50—62). Slot van den Psalm en den bundel fv. 58).

1. Intellectus Ethan Ezrahitae.

2. Misericordias Domini in seternum cantabo.

La generationem et generationem annuntiabo veritatem tuam in ore meo.

3. ^ Quoniam dixisti: In aeternum misericordia asdificabitur in ccelis: praeparabitur veritas tua in eis.

1. Tot onderrichting. Van Ethan. den Ezrahiet1).

2. De goedertierenheden des Heeren wil ik eeuwig bezingen.

Van geslacht tot geslacht zal ik uwe waarheid verkondigen met mijnen mond*).

3. Want Gij hebt gezegd: — eeuwig zal goedertierenheid worden opgebouwd in de hemelen; uwe waarheid is gevestigd op hen8). —

van allen verlaten is. Aldus o. a. Eusebius, de HH. Augustinus en Hiëronymus en met hen Euthymius, Bellarminus enz.

") Zie Psalm XXXVIII noot 1 en LXXXVII noot 1. Wanneer deze Ethan of afstammeling van Ethan leefde, kan niet met zekerheid bepaald worden. In dezen Psalm legt hq getuigenis af van zijn vast vertrouwen op Gods beloften, ondanks den benarden toestand, waarin het koninklijk geslacht van David verkeert. Dit was herhaaldelijk het geval, o. a. ten tijde van Roboam (III Reg. XIV; II Par. XII), van Joachin en Sedecias en gedurende de ballingschap.

*) Door het bezingen der bewijzen van goedertierenheid en waarheid, d. i. van trouw in het vervullen zijner beloften, wfl hij God bewegen om die eigen¬

schappen opnieuw ten bate van David's vernederd Huis te doen schitteren. Dat God aan die beloften eeuwig getrouw zal zijn, is zijne overtuiging; daarom belooft hii in naam van het volk eeuwigen lof, dien hij met zijnen mond, d. i. luide, verkondigt.

s) Wat God gezegd heeft, wordt in v. 4—5 beknopt aangegeven; het is de belofte door den profeet Nathan aan David gedaan over den duur van zijn Huis. Vgl. II Reg. VII 5—16. Vooraf drukt de Psalmist hier uit, hoe betrouwbaar Gods woord is; ten gevolge van die belofte zullen telkens nieuwe weldaden, bij de vorige gevoegd, doen blijken, dat Gods goedertierenheid eeuwig duren zal evenals zijne waar' heid, d. L zijne trouw. Beide worden hier voorgesteld als een gebouw, dat hecht en duurzaam is, dewijl het in en op de onwrikbare hemelen opgetrokken

Sluiten