Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Disposui testamentum electis meis, juravi David servo meo: II Reg. VII12.

5. Usque in aeternum praeparabo semen tuum.

Et aedificabo in generationem, et generationem sedem tuam.

6. Confitebuntur cceli mirabilia tua Domine: etenim veritatem tuam in ecclesia sanctorum.

7. Quoniam quis in nubibus aequabitur Domino: similis erit Deo in filiis Dei?

8. Deus, qui glorificatur in consilio sanctorum: magnus et terribilis super omnes qui in circuitu. ejus sunt.

9. Domine Deus virtutum quis similis tibi? potens es Domine, et veritas tua in circuitu tuo.

10. Tu dominaris potestati maris: motum autem fluctuum ejus tu mitigas.

11. Tu humiliasti sicut vulneratum, superbum: in brachio virtutis tua? dispersisti inimicos tuos.

12. Tui sunt cceli, et tua est terra, orbem terra? et plenitudinem ejus tu fundasti: Gen. 11.

4. Dx heb een verbond gesloten met mijne uitverkorenen; Dx heb gezworen aan David, mijnen dienstknecht*).

5. Tot in eeuwigheid zal Dx uw zaad bevestigen.

En opbouwen zal Ik van geslacht tot geslacht uwen troon*). —

6. De hemelen prijzen Uwe wonderdaden, o Heer, maar ook uwe waarheid in de vergadering der heiligen6).

7. Want wie in de wolken evenaart den Heer, is onder Gods zonen gelijk aan God?

8. God, die verheerlijkt wordt in de vergadering der heiligen, groot en geducht is Hij boven allen, die Hem omringen.

9. O Heer, God der heerscharen, wie is U gelijk? Machtig zijt Gij, o Heer, en uwe waarheid omgeeft U7).

10. Gij, Gij beheerscht het geweld der zee, en het woelen van hare golven doet Gij bedaren.

11. Gij, Gij hebt als eenen gewonde den trotschaard vernederd, met uw machtigen arm uwe haters verstrooid8).

12. U behooren de hemelen en U behoort de aarde; het wereldrond en zijne volheid, Gij hebt ze gegrondvest8).

en gevestigd is. Naar de Vulgaat kan eeuwig hemelen ook opgevat worden als de aanhef van Gods beloften. Over «praeparare» zie Ps. XX noot 13. Naar den grondtekst begint het vers duidelijker met: «Want ik zeg».

*) Mijne uitverkorenen, d. i. de afstammelingen van David. Hebr. «mijnen uitverkorene», d. i. David.

*) Uw zaad zal onvergankelijk zijn en steeds uwen troon bekleeden. Naar de letter kan dat zaad hier niemand anders aanduiden dan den Messias. Vgl. Luc. I 32.

") Dat God zijne beloften kan en zal vervullen, blijkt uit zijne wonderdaden, die door de hemelen, d. i. de hemelingen, geprezen worden, en uit zijne

waarheid. Deze openbaart Hij aan de vergadering der heiligen, d. i. der Hem (v. 8) omringende engelen, Gods zonen (v. 7), die Hem (v. 8) daarom verheerlijken.

7) Uwe waarheid, d. i. uwe trouw; omgeeft U, d. i. zij is van uw wezen onafscheidelijk. Uwe macht schittert echter niet alleen in den hemel, maar ook (v. 10 en 12 volg.) in de overige schepping, gelijk ook (v. 11) in het bestraffen der boozen.

8) De trotschaard is hier waarschijnlijk Pharao, door God vernederd en gelijk gemaakt aan eenen doodeUjk gewonde. De haters zijn de Egyptenaren.

8) Vgl. Psalm XXIII 2.

Sluiten