Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32. Si justitias meas profanaverint: et mandata mea non custodierint:

38. Visitabo in virga iniquitates aorum: et in verberibus peccata eorum.

34. Misericordiam autem meam non dispergam ab eo: neque nocebo in veritate mea:

35. Neque prof anabo testamentum meum: et quae procedunt de labiis meis non faeiam irrita.

36. Semel juravi in sancto meo, ai David mentiar:

37. Semen ejus in aeternum manebit.

38. Et thronus ejus siout sol in conspectu meo, et sicut luna perfecta in aeternum: et testis in ccelo fidelis. II Reg. VII16.

39. Tu vero repulisti et despexisti: distulisti Christum tuum.

40. Evertisti testamentum servi tui: prof anasti in terra Sanctuarium ejus.

41. Destruxisti omnes sepes ejus: I

I 32. indien zij mijne bevelen ontheiligen en mijne geboden niet houden;

33. zal Dc met de roede hunne boosheden bezoeken en met geeselslagen hunne zonden;

34. maar mijne erbarming zal Lk niet afwenden van hem, noch te kort doen aan mijne waarheid81),

35. noch mijn verbond ontheiligen, en wat uitging van mijne lippen zal ik niet krachteloos maken.

36. Eenmaal zwoer Lk bij rrfillWr heiligheid: Indien Lk David bedrieg22)....

37. Zijn zaad zal duren in eeuwigheid88),

38. en zijn troon als de zon voor mijn aanschijn en als de voor eeuwig gevestigde maan; en de getuige in den hemel is trouw84).

39. Gij niettemin hebt verstooten en versmaad, verworpen hebt Gij uwen gezalfde86).

40. Gebroken hebt Gij het verbond met uwen dienstknecht; ontheiligd tot aan den grond zijn heiligdom86).

41. Verwoest hebt Gij al zijne om-

als de dagen, d. i. de duur, des hemels zal zijn troon duurzaam zijn en aan dat zaad verzekerd blijven. Dit kon naar de letter alleen bewaarheid worden in David's grooten nazaat, Christus; omtrent dezen was en bleef Gods belofte onvoorwaardelijk, terwijl de tijdelijke heerschappij aan David's nakomelingen slechts voorwaardelijk (vgl. v. 31—33) verzekerd werd en wegens hunne ontrouw werkelijk verloren ging.

") Gods erbarming is hier de goedertieren vervulling zijner belofte omtrent het eeuwige Rijk van den Messias.

**) Eenmaal, d. i. eens voor altijd, onherroepelijk. Voor zwoer Ik in mijne heiligheid, lezen anderen: in mijn heiligdom, d. i. in mijnen hemel. Indien Ik David bedrieg is een afgekorte eed; de zin is: Ik zal mijn aan David gegeven woord niet breken.

**) Zie noot 20.

**)_ Het Rijk van David's Zoon, Christus, zal op de aarde bestaan zoolang als de zon en de duurzaam geschapen maan, en God, die dat in zijnen hemel getuigt (vgl. v. 36), is trouw in zijne beloften. Daartegenover stelt de Psalmist nu (v. 39—46) den ellendigen toestand van het koninklijk Huis.

M) Hebr.: «Gij hebt (uwen toorn) losgelaten tegen uwen gezalfde», d. i. tegen onzen koning, David's afstammeling, en tegen zijn geslacht.

*•) Voor heiligdom heeft de Septuagint «zijne heiliging» of «zijne wijding», de grondtekst «zijne kroon»; deze maakt den koning tot Gods plaatsbekleeder en dus tot eenen heiligen persoon. Die kroon ligt thans op den grond, d. i. wordt met voeten getreden. Vgl. Ps. LXXIII 7.

I

I

Sluiten