Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Quae pro nihilo habentur, eorum anni erunt.

6. Mane sicut herba transeat, mane floreat, et transeat: vespere decidat induret, et arescat. Is. XL 6.

7. Quia defecimus in ira tua, et in furore tuo turbati sumus.

8. Posuisti iniquitates nostras in conspectu tuo: saeculum nostrum in illuminatione vultus tui.

9. Quoniam omnes dies nostri defecerunt: et in ira tua defecimus. I

Anni nostri sicut aranea meditabuntur:

10. Dies annorum nostrorum in ipsis, Septuaginta anni. Eceli. XVIII 8.

Si autem in potentatibus oetoginta anni: et amplius eorum, labor et dolor.

Quoniam supervenit mansuetudo: et corripiemur.

11. QuianoTit potestatem irse tuae: et prae timore tuo iram tuam

12. Dinumerare?

Dezteram tuam sic notam fac: et eruditos corde in sapientia.

bestaan (vgl. v. 2). Duizend jaren zijn voor Hem niets, gelijk een dag, die reeds vervlogen is, of gelijk eene wake (toenmaals een derde deel van den nacht), die voorbij is eer de slapende het bemerkt .

•) Wat voor U, en dus mderdaad, als tijdruimte een niets is, telt voor hen als jaren. Hebr. waarschijnlijk: «Gij spoelt ze weg (als water); een slaap (droom) zijn zij».

q Gelijk de graskruiden leeft de mensch maar éenen dag; des ochtends, d. L in zBne jeugd, spoedig, bloeit hq op, maar hij vergaat ook spoedig, en heeft zijn leven nog eenen avond, dan bereikt hij dien niet zonder geheel en al te vervallen.

*) De reden van de kortstondigheid des levens ligt in Gods toom, die ons doodelijk doet ontstellen en ontstoken werd (v. 8) door onze zonden.

■) Hebr. «ons verborgene», d. i. onze

5. die voor een niets gehouden worden, zoo zijn hunne jaren*).

6. Des ochtends, gelijk gras vergaat, des ochtends bloeit en vergaat hij; des avonds valt hij af en wordt hij hard en dor1).

7. Want wij gaan te niet door uwen toorn, en door uwe verbolgenheid worden wij verslagen8).

8. Gij plaatst onze ongerechtigheden voor uwe oogen, ons leven in het licht uws aanschijns9).

9. Want al onze dagen gaan te niet, en in uwen toorn vergaan wij.

Onze jaren tobben voort als eene spin10).

10. De dagen onzer jaren bij elkander, het zijn zeventig jaren,

en bij groote krachten tachtig jaren, en wat daarboven gaat ia afsloving en smart.

Want matheid komt opdagen, en wij worden gekastijd11).

11. Wie kent de macht van uwen toorn,' en weet uit vrees voor D uwe verbolgenheid

12. te schatten18)?

Maak zoo uw rechterhand bekend en hen, die in hun hart ervaren zqn in wijsheid18).

geheime zonden, zqn voor het licht uws aanschijns, d. i. zweven voor uwen alzienden blik.

") Hebr.: «wq verteren onze jaren als eene gedachte» of, volgens anderen: «als een gemurmel».

u) De ouderdom brengt matheid, d. ï. krachteloosheid, en menig ongemak. Sommigen vertalen: want (Gods) goedheid komt opdagen met kastqdm£en om ons (v. 12) tot ware wqsheid tè brengen. Hebr.: «en hun kracht (hun hoogmoed) is moeite en nietigheid ; want ijlings ging het (Leren) voorbq I en wij vlogen weg». •■

•*) Hoe weinigen zijn er, die, bq het aanschouwen onzer vergankelijkheid, inzien, hoe groot uw toorn is, en die, in eerbiedige vrees voor U, begrijpen, wat het wü zeggen, als Gq verbolgen

***") De vermoedelijke zin is: daarom laat ons uwe macht inzien, en toon

Sluiten