Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Quoniam rectns Dominus Deus noster: et non est iniquitas in eo.

dat de Heer, onze God, rechtvaardig, en dat er in Hem geene ongerechtigheid is.

PSALMUS XCII.

PSALM XCII

God is de Koning der schepping.

God is de Koning en de machtige Schepper der wereld (v. 1), die Hij,, de Eeuwige, tot zijnen troon gemaakt heeft (v. 2). Ontzaglijk verheffen zich de stroomen en de zee en klotsen hunne golven; maar Hij is ontzag lij ker (v. 3—4). Hij vervult zijne beloften; daarom diene men Hem steeds in heiligheid (v. 5).

Laus Cantici ipsi David in die ante sabbatum, quando fundata est terra.

1. Dominus regnavit, decoremindutus est: indutus est Dominus fortitudinem, et pracinxit se.

Etenim firmavit orbem terra?, qui non commovebitur.

2. Parata sedes tua ex tune: a saeculo tu es.

3. Elevaverunt flumina Domine: elevaverunt flumina vocem suam.

Elevaverunt flumina fluctussuos,

4. A vocibus aquarum multarum.

q Dit opschrift ontbreekt in den grondtekst. Dat de Psalm het werk van David is, wordt door sommigen betwijfeld. De aanschouwing der natuur brengt (gelijk in Ps. XVIII) den dichter tot bewondering van Gods macht en tot het aanprijzen van zijne Wet. Niet weinigen vatten den Psalm symbolisch op als een zegezang ter eere Gods, die zijne en Israëls vijanden, aangeduid door de stroomen en de wateren (v. 3—4), onlangs vernederde en daardoor toonde, dat Hem (v. 1—i) alle macht en majesteit toebehooren en Hij dus de eeuwige Koning der wereld is, die (v. 5) trouw zijn woord houdt. — Voor gegrondvest heeft de Septuagint «bewoond», nl. voor het eerst door den mensch, die op den dag vóór den Sabbat geschapen werd. Zie Psalm XCI noot 1.

Een lofzang van David, op den dag vóör den Sabbat, toen de aarde gegrondvest was1).

1. De Heer regeert: met heerlijkheid is Hij bekleed; bekleed is Hij met sterkte en Hij heeft zich omgord8).

Want hecht gemaakt heeft Hq den aardbol, die niet zal wankelen.

2. Gevestigd is van toen af uw troon, van eeuwigheid zijt Gij8)! <

3. De stroomen verheffen, o Heer, de stroomen verheffen hun stem;

de stroomen verheffen hun golven

4. door het loeien van vele wateren4).

*) God regeert, d. i. Hij heeft bij en door de schepping het koningschap aanvaard eh bhjft net uitoefenen. Hq

bekleedt zien met ster/cie en neernjn.,!,^ en omgordt zich met kracht, als Hq die openbaart, nl. in de schepping en het bestier der wereld.

3) Van toen af, d. i. sedert de schepping, heeft God den aardbol (v. 2) tot zijn hechten en duurzamen «roow, gemaakt; is zqn werk onwankelbaar, hoeveel te meer de Schepper daarvan; trouwens deze is van eeuwigheid.

4) Naar de Vulgaat schijnt de zin: de stroomen verheffen hun stem, d. i. maken een hevig gedruisch, ontstaan uit het loeien van vele wateren. Naar den erondtekst echter behoort «a vocibus» enz. veeleer als lid eener vergelijking bn het vblgende, en dan is de vermoedelijke zin: meer dan het loeien van

Sluiten