Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS CIL PSALM CH.

Den Heer zij lof voor zijne barmhartigheid!

De ziel prijze Ood, die haar met zijne weldaden overlaadt (v. 1—5), naar zijne barmhartigheid, welke Hij zoo dikwijls betoonde (v. 6—10) en die Hij boven alle mate oefent (v. 11—13), omdat Hij weet, hoe vergankelijk wij zijn (v. 14—16). Eeuwig duurt die barmhartigheid voort (V. 17—18), omdat Hy de Almachtige is (v. 19). Daarom moge dan ook alles Hem loven (v. 20—22)1

1. Ipsi David.

Benedic anima mea Domino: et omnia, quae intra me sunt, nomini sancto ejus.

2. Benedic anima mea Domino: et noli oblivisci omnes retributiones ejus:

3. Qui propitiatur omnibus iniquitatibus tuis: qui sanat omnes infirmitates tuas.

4. Qui redimit de interitu vitam tuam: qui coronat te in misericordia et miserationibus.

5. Qui replet in bonis desiderium tuum: renovabitur ut aquilae juven tus tua:

6. Faciens misericordias Dominus: et judicium omnibus injuriam patientibus.

1. Van David.

Loof, mijne ziel, den Heer, en al wat in mij is zijnen heiligen naam!

2. Loof, mijne ziel, den Heer, — en vergeet al zijne weldaden niet, —

3. die al uwe zonden vergeeft, die al uwe krankheden heelt2);

4. die uw leven redt van den ondergang, die u kroont met erbarming en barmhartigheden3);

5. die uw verlangen met goederen vervult; uwe jeugd wordt vernieuwd als die van een adelaar1).

6. Barmhartigheden oefent de Heer en recht aan allen, die onrecht lijden5).

*) De juistheid van dit^ opschrift wordt door sommigen betwijfeld. Uit den inhoud van den Psalm is niet op te maken, bij welke bepaalde gelegenheid hij gedicht werd. Een dankbetuiging als deze zal voorzeker wel opgestegen zijn uit het hart van David, toen hem de profeet Nathan (H Reg. XII 13) zeide, dat God hem zijne zonde vergeven had.

*) Al uwe krankheden, d. i. der ziel, tot welke hier (v. 1—2) het woord gericht wordt, maar ook die des lichaams, van welke allerwaarschijnlijkst sprake is in v. 4—5.

*) Die u kroont enz., d. i. wiens goedertierenheid u omringt en beschut tegen alle gevaren, ofwel: die de kroon uwer ziel, de eer en de vreugde van uw leven is.

I «) Die u in overvloed alles geeft, wat gij kunt verlangen, en u nieuwe krachten schenkt, die u sterk maken als een jonge adelaar. Onder de nieuwere bijbelverklaarders denken hier ; velen aan het ruien, waardoor* de arend als verjongd wordt; onder de ouderen meenen met weinigen, dat de Psal! mist zich hier uitdrukt naar een volksI meening, die den betrekkelijk langen i levensduur der arenden toeschreef aan I een van tijd tot tijd herhaalde verjon| ging.

') Wat de Heer in het bijzonder voor de hier aangesproken ziel deed (t. 3—5), is een uitvloeisel zijner natuur en doet Hij overal en altijd voor allen; dat bewijst ook (v. 7 volg.) het verleden.

Sluiten