Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aeterno, et usque in aeternum super timentes eum.

Et justitia illius in filios filiorum,

18. His qui servant testamentum ejus:

Et memores sunt mandatorum ipsius, ad faciendum ea.

19. Dominus in ccelo paravit sedem suam: et regnum ipsius omnibus dominabitur.

20. Benedicite Domino omnes Angeli ejus: potentes virtute, facientes verbum illius, ad audiendam vocem sermonum ejus.

21. Benedicite Domino omnes virtutes ejus: nünistri ejus, qui facitis voluntatem ejus.

22. Benedicite Domino omnia opera ejus: in omni loco dominationis ejus, benedic anima mea Domino.

ren is van eeuwigheid en tot in eeuwigheid over hen, die Hem vreezen,

en zijne gerechtigheid over de kinderen der kinderen,

18. over die zijn verbond bewaren,

en aan zijne geboden indachtig zijn om ze té vervullen.

19. De Heer heeft in den hemel zijnen troon gevestigd, en zijn koningschap heerscht over alles12).

20. Looft den Heer, gij, al zijne engelen, gij, machtigen in kracht, die zijn woord volbrengt om gehoor te geven aan de stem zijner uitspraken.

21. Looft den Heer, gij, zijne heerscharen altegader, zqne dienaren, die zijnen wil volbrengt").

22. Looft den Heer, gij, al zijne werken, op alle plaatsen zijner heerschappij. Loof, mijne ziel, den

I Heer!

") Het zinverband is: God is in staat (v. 17—18) den zijnen barmhartigheid en gerechtigheid te doen wedervaren: dat waarborgt hun (v. 19) zijn goddelijk koningschap over al het geschapene; daarom dienen dan ook (v. 20—21) alle engelen en alle overige schepselen (v. 22a), maar vooral (v. 226) de ziel des menschen Hem te prijzen. ,. ,

") Heerscharen, d. i. zqne engelen. Vgl. XXIII noot 12.

— Deze Psalm, die, wat inhoud en stijl aanbetreft, een der schoonste en opbeurendste van het geheele Psalter is, wordt door eenige Vaders, o. a. door den H. Athanasius en Eusebius, beschouwd als een lofzang, waardoor de tot Christus bekeerde volken God bedanken wegens de weldaden van die

bekeering en hare gevolgen voornamelijk voor de ziel. Deze immers wordt daardoor (v. 3) beviijd van zonden en zwakheden en gered (v. 4a) van den eeuwigen dood; zij wordt versierd (v. 46) met de heiligmakende genade en (v. 5a) met andere gaven; zij wordt (v. 56) innerlijk vernieuwd, zoodat zij zich met jeugdige kracht, als een arend, kan verheffen tot God. In zqne grenzenlooze barmhartigheid (v. 6—11) vergeeft deze (v. 12) hare zonden met vaderlijke goedheid (v. 13) en erbarming over 's menschen zwakheid (v. I 14—16); zonder ophouden betoont Hij die barmhartigheid en beloonende gerechtigheid aan wie het verdienen (v. 17—18), en dat vermag HH (v. 19—22) in zijne nooit volprezen almacht.

Sluiten