Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

psalmus ora.

PSALM CIIL

Lofzang op Gods voorzienigheid.

Heerlijk schittert Gods voorzienigheid in de schepping der hemelen fv 1—4) der onwrikbare aarde fv. 6—9), der bronnen en stroomen, die drank en voedsel verschaffen aan dieren, planten en menschen fv. 10—18)- der «* der zon fv. 19—23) en der onmetelijke wereldzee 'fv. / o Hy " het' die ^even m onderhoud aan alles schenkt fv-27—30). Moge de heerlijkheid van den Schepper eeuwig duren en de lof van den Psalmist hem welgevallig atf* ft». 81—35)1

1. Ipsi David.

Benedic anima mea Domino: Domine Deus meus magnificatus es vehementer.

Confessionem,et decoreminduisti:

2. Amictus lumine sicut vestimento:

Extendens ccelum sicut pellem:

3. Qui tegis aquis superiora ejus.

Qui ponis nubem ascensum tuum: qui ambulas super pennas ventorum.

4. Qui f aois Angelos tuos, spiritus: et ministros tuos ignem urentem. Hebr. I 7.

1. Van David1).

Loof, mijne ziel, den Heer! Heer, mijn Ood, grootelijks zijt Gij ver. heven!

In lof en luister hebt Gij U eedost*); s

2. ü omhuld met licht als met een gewaad3).

Gij spant den hemel uit als een dekkleed-).

3. Gij dekt zijne opperzalen met wateren.

GIJ maakt wolken tot uwen wagen; Gij wandelt op de wieken der winden-).

4. Gij maakt uwe engelen tot winden en uwe dienaars tot blakend vuur*).

'x.ift*? opschrift ontbreekt in den grondtekst. Onmiskenbaar is de overeenkomst van dezen heerlijken Psalm met het scheppingsverhaal van Genesis I; hij bevat een verheffing der macht en wijsheid, door God ten toon gespreid bij zijn scheppen en bewaren in de orde der natuur, evenals Psalm CII, met denzelfden aanhef en hetzelfde slot, eene verheerlijking is van zijne grootheid en goedheid in de orde der genade.

) Hoezeer God verheven is blijkt den Psalmist vooral uit de schepping. Lof staat hier gelijk elders (vgl. Ps. XCV noot 4) voor datgene, wat reden geeft tot lof, nl. Gods heerlijkheid. God^ doste en vertoonde zich daarin als in een prachtgewaad, m. a. w. Hij openbaarde ze bij het scheppen der wereld. Thans blijft Hij ze openbaren in haar behoud.

.*) Het lieht dient hier als gewaad, niet om God te verbergen, maar om

Hem in zijne grootheid te doen zien en kennen, gelijk een prachtgewaad den rang en de grootheid kenteekent van wie het draagt. Hier wordt dus niet het ongeschapen «licht» (vgl. Joan. I 4, 5, 9) bedoeld, maar het door God over de natuur uitgegoten licht, dat, hoe heerlijk ook, toch maar een zwak en eindig beeld is van het overheerlijke, oneindige licht zijner Godheid.

*) Evenals de tentbewoner het van huiden gemaakte dekkleed zijner tent spant. Vgl. Is. XL 22.

*) De zin is: de ruimten, die zich, als waren het opperzalen, boven het als vast gedachte luchtruim bevinden, zijn met water als met een zoldering of dak overdekt; vgl. Gen. I 6, 7. De zwevende wolken gebruikt God als zijnen wagen; daarmede wandelt hij door de ruimte, gedragen op de wieken der winden.

') Herhaling van v. 36 en van Psalm

IV

Sluiten