Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Qui fundasti terram super stabilitatem suam* uon inclinabitur in saeculum saeculi.

6. Abyssus, sicut vestimentum, amictus ejus: super montes stabunt aquse.

7. Ab increpatione tua fugient: a voce tonitrui tui formidabunt.

8. Ascendunt montes: et deseendunt campi in locum, quem fundasti eis.

9. Terminum posuisti, quem non transgredientur: neque convertentur operire terram.

10. Qui emittis fontes in convallibus: in ter medium montium pertransibunt aquae.

11. Potabunt omnes bestiae agri: exspectabunt onagri in siti sua.

12. Super ea volucres cceli habitabunt: de medio petrarum dabunt voces.

13. Rigans montes de superioribus suis: de fructu operum tuorum satiabitur terra:

5. Gij hebt de aarde gevestigd op hare onwrikbaarheid; in eeuwigheid zal zij niet wankelen7).

6. De waterpoel was, als een kleed, haar omhulsel; boven de bergen stonden de wateren8).

7. Op uw dreigen vloden zij henen; voor de stem van uwen donder ontzetten zij zich9).

8. Bergen verrijzen en vlakten dalen naar de plaats, die Gij hun gegrondvest hebt10).

9. Eene grens hebt Gij bepaald, die zij niet zullen overschrijden; en zij zullen niet wederkeeren om de aarde te overstelpen.

10. Gij zendt bronnen uit in de valleien; midden tusschen de bergen vloeien wateren henen;

11. daarvan drinken alle dieren des velds; daarnaar smachten de woudezels in hunnen dorstu);

12. daarboven wonen de vogelen des hemels: uit het midden der rotsen verheffen zij hunne stemmen18) .

13. Hij bevochtigt de bergen uit zijne opperzalen; van de vrucht uwer werken verzadigt zich de aarde18).

XVII 11: «Hij steeg op de cherubs en vloog; Hij vloog op de vleugels der winden». God gebruikt zijne engelen, '■ die zijne dienaars zijn, als winden en blakend vuur, d. i. bliksems, om zich aan de menschen te openbaren of om zijne strafgerichten te komen houden. Anderen vertalen den grondtekst: «Die winden maakt tot zijne boden, en verterend vuur (bliksems) tot zijne dienaren».

q In v. 2a werd de schepping van het lioht vermeld, die op den eersten dag (Gen. I 3—5) geschiedde, en v. 2b die van het uitspansel, dat op den tweeden dag geschapen werd (vgl. Gen. I 6—8). Thans gaat in v. 5 volg. de Psalmist over tot de schepping van het vasteland, het werk van den derden dag. Vgl. Gen. I 9 volg.

*) Voordat (Gen. I 9) de wateren zich van het droge hadden gescheiden, omhulde de waterpoel of oceaan het als met een kleed.

*) Een stoute persoonsverbeelding om uit te drukken, dat het bevel. Gods van Gen. I 9 terstond en volkomen door de wateren vervuld werd. Het beeld wordt voortgezet in v. 9.

10) Bh' het wegvloeien der wateren schijnen eerst de bergen daaruit te verrijzen, terwijl de vlakten in vergelijking met de bergen schijnen te dalen. 2h', 3. i. de bergen en vlakten of de wateren van v. 7, nemen de vaste plaats in, die hun door God is aange-

"WGZG11.

") De woudezel, een wild dier, dat zich graag in ontoegankelijke plaatsen ophoudt, zou daar van dorst versmachten zonder Gods voorzienigheid, die hare zorg uitstrekt over alle dieren zonder uitzondering.

") Daarboven, d. i. in het geboomte, dat boven die beken groeit.

") De regen, de vrucht van Gods werken, d. i. der door Hem geschapen hemelen of wolken, valt uit de opper-

Sluiten