Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Producens fcenum jumentis, et herbam servituti hominum:

Dt educas panem de terra:

15. Et vinum laetificet cor hominii:

Ut exhilaret faciem in oleo: et panis oor hominis confirmet.

16. Saturabuntur ligna campi, et cedri Libani, quas plantavit:

17. Illic passer es nidificabunt. Herodii domus dux est eorum:

18. Montes excelsi eer vis: petra refugium herinaciis.

19. Fecit lunam in tempora: sol cognovit occasum suum.

20. Posuisti tenebras, et faota est nox: in ipsa pertransibunt omnes bestiae silvae.

21. Gatuli leonum rugientes, ut rapiant, et quaerant a Deo escam sibi.

22. Ortus est sol, et congregati sunt: et in cubilibus suis collocabuntur.

23. Exibit homo ad opus suum:

zalen, d. i. de ruimten daar boven, waar hij verzameld is, neder op de aarde, die zich daarmede als met een spijs verzadigt. Sommigen vinden in de vrucht niet den regen aangeduid, maar het uitwerksel daarvan, nl. de voortbrengselen van den bodem, waaraan zich (v. 14—15) menschen en dieren verzadigen.

") Welk kruid voornamelijk bedoeld wordt, blijkt uit het volgende, waar van brood, wijn en olie sprake is.

") De olie maakt de spijzen smakelijk en voedzaam en geeft dientengevolge aan het gelaat een gezonde, frissche, vroolijke tint. Anderen denken hier aan net zalven met olie, dat bij vroolijke feestmaaltijden geschiedde.

16) De boomen van velden en bergen worden zoo gedrenkt, dat hun welig opgroeiend hout tot huisvesting dient voor de musschen, d—L de klei-

14. Gij doet gras ontspruiten voor het vee en kruid ten dienste der menschen14),

om brood uit de aarde te voorschijn te brengen

15. en opdat wijn het hart des menschen verheuge;

opdat hij zijn gelaat vroolijk make met olie16), en brood het hart des menschen versterke.

16. Verzadigd worden de boomen des velds en de ceders des Libanons, die Hij geplant heeft;

17. daar nestelen de musschen; de woning des reigers is aan

hunne spits1').

18. Het hooge gebergte is voor de herten, de rots eene toevlucht voor de egels.

19. Hij maakte de maan voor de tijdkringen; de zon kent haren ondergang17).

20. Gij maakt duisternis, en het wordt nacht; daarin zwerven alle wouddieren rond.

21. De jonge leeuwen brullen om roof en om zich spijs te vragen van God.

22. De zon gaat op, en zij scholen te zamen, én zij leggen zich neder op hunne legers.

23. Dan gaat de mensch naar zijn

nere, en voor de reigers (of Hebr, «de ooievaars», zie Lev. XI noot 17), d. i. de grootere vogels, die in de toppen boven de andere nestelen. Eveneens strekken door Gods beschikking (v. 18) bergen en rotsen tot toevluchtsoord voor herten en egels (Hebr.: «springmuis» of «klipdas», zie Lev. XI noot 6), d. i. voor groot en klein wild.

1T) Schepping van zon en maan op den vierden dag (Gen. I 14—19). De maan helpt door hare veranderingen den mensch in het berekenen van den tijd; de zon kent, d. i. onderhoudt regelmatig, de uren van haren op- en ondergang en bepaalt het onderscheid tusschen nacht en dag; des nachts (v. 20—21) zoekt het hongerige wild zijn voedsel; des daags (v. 22—23) rusten de wilde dieren en gaat de mensch aan zijnen arbeid.

Sluiten