Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS CVL

PSALM CVL

Gode zij dank voor zijne almachtige hulp!

Dat alle geredden Ood danken fv. 1—3)! Zij waren verdwaald, en Hij bracht hen terecht fv. 4—9); zij zaten geboeid in eenen herher, en Hij verloste hen (v. 10—16); zij waren doodelijk ziek, en Hij schonk hun genezing fv. 17—22)zij waren op het punt schipbreuk te lijden, en Hij bracht hen in de haven fv. 23—82). Hij bestiert hinden en volken naar zijnen wil (v.33—37). Hij zegent zijn volk, straft de verdrukkers en helpt de armen fv. 88—41). Dat daarom de goeden zich verheugen, de boozen zwijgen, de wijzen het'onthouden en begrijpen fv. 42—43).

Alleluia. f Judith. XIII21).

1. Confitemini Domino quoniam bonus: quoniam in saeculum misericordia ejus.

2. Dicant qui redempti sunt a Domino, quos redemit de manu inimici: et de regionibus congregavit eos:

3. A solis ortu, et occasu: ab aquilone, et mari.

4. Erraverunt in solitudine in inaquoso: viam civitatis habitaculi non invenerunt,

') Dit danklied werd allerwaarschijnlijkst kort na de ballingschap door eenen ons onbekenden Psalmist aangeheven om het volk aan te sporen God voor zijne verlossing te prijzen. De aanhef van den Psalm wordt I Esdr. III 11 vermeld als het loflied, gezongen bij de grondlegging van den tweeden tempel; mogelijk wordt te dier plaatse de geheele Psalm bedoeld. In het eerste deel (v. 2—32) worden v. 6 en 8 elk nog driemaal (nl. in v. 13,19,28 en 15, 21, 31) als keervers herhaald; in de vier daardoor afgebakende strophen worden onder telkens verschillende beelden of door verschillende nooden de rampen der ballingen aangeduid; daarop volgt telkens in het eerste keervers een gebed om hulp; dan de verleening daarvan; vervolgens in het tweede keervers eene opwekking tot dank; eindelijk nog een vers met een beweegreden of een verdere aansporing daartoe. Het tweede gedeelte (v. 33 volg.) is zonder keerverzen en bezingt Gods wereldbestuur in het algemeen;

Alleluia1)!

1. Looft den Heer, want Hij is goed, want eeuwig duurt zijne barmhartigheid!

2. Zoo mogen spreken zij, die door den Heer verlost zijn, die Hij -bevrijd heeft uit de hand des vijands en die Hq heeft verzameld uit de landen,

3. van den opgang der zon en van den ondergang, van het noorden en van de zee-).

4. Zij dwaalden rond in de woestijn, in eene waterlooze streek, zij vonden geenen weg naar eene stad om er te wonen3).

waarschijnlijk echter had de Psalmist daarbij datgene op het oog, wat God in het bijzonder gedurende en terstond na de ballingschap reeds voor zijn volk gedaan had. Sommige schriftverklaarders zien den geheelen Psalm aan als eene dankbetuiging jegens God, die alle menschen uit alle nooden weet te redden.

*) Blijkens den samenhang wordt hier door zee het zuiden aangeduid.

3) Eenige schriftverklaarders houden de in v. 4—32 beschreven ongevallen voor beelden, die den benarden toestand voorstellen, waarin het volk tijdens de ballingschap en den terugtocht verkeerde. Anderen zien daarin geene beelden, maar werkelijke nooden geschetst, die verschillende bannelingen inderdaad kwelden en die zoodoende alle nooden van het gansche volk aanschouwelijk voorstellen. Dat verscheidene bannelingen inderdaad tijdens de ballingschap of den terugtocht in de woestijn ronddwaalden en geene stad om er te wonen, d. i. geen vaste woon-

IV

Sluiten