Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Esurientes, et sitientes: anima eorum in ipsis defecit.

6. Et clamaverunt ad Dominum cum tribnlaxentur: et de necessitatibus eorum eripuit eos.

7. Et deduxit eos in viam rectam: ut irent in civitatem babitationis.

8. Confiteantur Domino misericordia) ejus: et mirabilia ejus filiis hominum.

9. Quia satiavit animam inanem: et animam esurientem satiavit bonis.

10. Sedentes in tenebris, et umbra mortis: vinctos in mendicitate, et ferro.

11. Quia exacerbaverunt eloquia Dei-: et consilium Altissimi irritaverunt.

12. Et humiliatum est in laboribus cor eorum: infirmati sunt, nee fuit qui adjuvaret.

18. Et clamaverunt ad Dominum cum tribularentur: et de necessitatibus eorum liberavit eos.

14. Et eduxit eos de tenebris, et umbra mortis: et vincula eorum disrupit.

15. Confiteantur Domino miseri-

plaats, hadden, kan wel niet betwijfeld worden. Overigens gold ook voor de Israëlieten, die in de steden van Chaldea woonden, elk ander land dan Chanaan als eene woestijn en was alleen Jerusalem <vgl. v. 7) voor hen de stad om er te wonen, de plaats, waar zij" zich tehuis en kinderen Gods gevoelden Zoo kan ook v. 5 zij hongerden en leden dorst van Behamelijken nood worden opgevat of, in beeldspraak, van het smachtend verlangen der Israëlieten naar hun vaderland. Vgl. Ps. LXXXIII 3. , .

q De zin der Vulgaat kan slechts zijn- Gods barmhartige en wonderbare weldaden strekken Hem tot lof en mogen de hinderen der menschen, aan wie Hii ze bewees, wel aansporen om dien te verkondigen. Hebr.: «dat zij (nL de verlosten) voor den Heer prijzen zijne goedheid, zijne wonderdaden aan

6. Zij hongerden en leden dorst; hunne ziel bezweek in hen.

6. En zij riepen tot den Heer, toen zij in kwelling waren, en Hij verloste hen uit hunne nooden,

7. en Hij bracht hen op den rechten weg, opdat zij zouden gaan naar eene stad om er te wonen.

8. Dat den Heer zijne barmhartigheden prijzen, en zijne wonderdaden voor de kinderen der menschen*),

9. omdat Hij de smachtende ziel verzadigde en de hongerige ziel vervulde met het goede-).

10. — Die in duisternis gezeten waren en in de schaduw des doods, gekluisterd in behoefte en ijzer6),

11. omdat zij de woorden van God verbitterd hadden en den raad des Allerhoogsten hadden uitgetart7).

12. En vernederd werd hun hart door kwellingen; zij werden krachteloos en niemand was er, die hielp. 18. En zij riepen tot den Heer, toen zij in kwelling waren, en Hij redde hen uit hunne nooden,

14. en Hij leidde hen uit de duisternis en de schaduw des doods, en Hij verbrak hunne boeien.

15. Dat den Heer zijne barm-

de kinderen der menschen». *) Vgl. v. 5.

•) In de Septuagint en de Vulgaat staan de deelwoorden van dit vers in den accusatief en zijn zij dus het voorwerp van het verzwegen «Hij redde» (vgl v. 13) of van het voorafgaande Hij vervulde (v. 9). Naar den grondtekst kan men aanvullen: zoo mogen spreken, die enz. vgl. v. 2. De zin van v. 10 volg. is: Hij redde anderen, die tot straf voor hunne zonden in doodsgevaar geraakten (vgl. Ps. LXXXVII 7), in nijpende behoefte en in ijzer, d. i. in boeien; maar op hun gebed verschafte God hun redding, q De woorden en de raad van God I worden hier als personen voorgesteld in plaats van God zelf, dien men verbitterd en uitgetart had, doordien men ! naar zijne woorden niet luisterde en I zijnen raad in den wind sloeg.

Sluiten