Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Is: et exaltati sunt fluctus ejus.

26. Ascendant usque ad ecelos, et descendent usque ad abyssos: anima eorum in malis tabescebat.

27. Turbati sunt, et moti sunt sicut ebrius: et omnis sapientia eorum devorata est.

28. Et clamaverunt ad Dominum cum tribularentur, et de necessitatibus eorum eduxit eos.

29. Et statuit procellam ejus in auram: et siluerunt fluctus ejus.

30. Et laetati sunt quia siluerunt: et deduxit eos in portum voluntatis eorum.

31. Confiteantur Domino misericordia) ejus: et mirabilia ejus filiis hominum

32. Et exaltent eum in ecclesia plebis: et in cathedra seniorum laudent eum.

33. Posuit flumina in desertum: et exitus aquarum in sitim.

34. Terram fructiferam in salsuginem, a malitia inhabitantium in ea.

35. Posuit desertum in stagna

stak op en omhoog rezen hare golven1*);

26. zij stegen tot aan den hemel en zij daalden tot aan de afgronden; hunne ziel verging in onheilen15).

27. zij ontstelden en wankelden gelijk een dronkene, en al hunne wijsheid werd verzwolgen1*).

28. En zij riepen tot den Heer, toen zij in kwelling waren, en Hij redde hen uit hunne nooden,

29. en Hij zette haren storm om in een koeltje, en hare golven bedaarden;

30. en zij verheugden zich, dat zij bedaarden; en Hij voerde hen naar de haven van hun verlangen").

31. Dat den Heer zijne barmhartigheden prijzen, en zqne wonderdaden voor de kinderen der menschol*

32. én dat zij Hem verheffen in de vergadering des volks, en op het gestoelte der oudsten Hem loven18).

33. Hij maakte stroomen tot eene woestijn, en waterbronnen tot dorstigheid1»),

34. vrucbharen bodem tot zoutigheid, om de boosheid van die hem bewoonden*0).

35. Hij maakte eene woestijn tot

M) Eén woord van God, en de storm stond reeds aan de deur en deed de golven der zee omhoog rijzen.

") Zij d. i. de golven of de schepelingen 'met hun schip. Hunne ziel verging van angst in de onheilen, die hen van alle kanten overstelpten.

"i Het slingeren en stampen van het schip bracht hen van de been, en zij waren ten einde raad met hunne zeevaartkunde. ,

-q Naar het doel van hunne reis, ol (zie noot 3) terug naar het vaderland.

«) De oudsten of oversten onder de Israëlieten zaten in hunne vergaderineen op een verheven gestoelte. De zm is: dat volk en oversten God verheerlijken Dj hetgeen volgt toont de psalmist uit de geschiedenis, vooral uit die der laatst verloopen jaren aan, hoezeer Gods macht en barmhartigheid dienen

geprezen te wofden (zie noot 1). Had God vóór jaren het land woest en verlaten gemaakt, Hij kon en zou het nu wederom tot bloei brengen, en gelijk Hij steeds de goeden zegent, de kwaden straft, zoo zou Hij ook nu Jerusalem doen herbouwen en de Israëlieten zegenen, Babyion daarentegen laten verwoesten en de Ohaldeërs kastijden. Mogelijk blijft het intusschen,

dat' de Psalmist in v. 33 volg. alleen wü uiteenzetten, hoe God m zijne almacht beurtelings straft (▼•33—34 en 39_40) en zegent (v. 35—38 en

41-q Hij liet die uitdrogen en het land dor worden. Dat deed Hij herhaaldelnk, o. a. ten tijde der ballingschap.

s°) Mogelijk wordt hier gezinspeeld op het lot van Sodoma of op dat van Babyion. Vgl. Is. XIII 19—22.

Sluiten