Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

misericordia tua: et usque ad nubes veritas tua.

6. Exaltare super ecelos Deus, et super omnem terram gloria tua:

7. Ut liberentur dilecti tui.

Salvum fac dextera tua, et exaudi me:

8. Deus locutus est in sancto suo:

Exsultabo, et dividam Sichimam, et convallem tabernaculorum dimetiar.

9. Meus est Galaad, et meus est Manasses: et Ephraim susceptio capitis mei

Juda rex meus:

10. Moab lebes spei mea).

In Idumseam extendam calceamentum meum: mihi alienigenee amici facti sunt.

11. Quis deducet me in civitatem munitam? quis deducet me usque in Idumseam?

12. Nonne tu Deus, qui repulisti nos, et non exibis Deus in virtutibus nostris?

13. Da nobis auxilium de tribulatione: quia vana salus hominis.

14. Lu Deo faciemus virtutem: et ipse ad nihilum deducet inimicos nostros.

hemelen uwe barmhartigheid, en tot aan de wolken uwe trouw.

6. Verheven wordet Gij boven de hemelen, o God, en over de geheele aarde zij uwe heerlijkheid!

7. Opdat uwe beminden gered mogen worden,

schenk behoudenis door uwe rechterhand en verhoor mij8).

8. God heeft gesproken in zijne heilige stede:

Ik zal juichen en Sichem verdoelen, en uitmeten zal Ik het dal der tenten.

9. Mij behoort Galaad en Mij behoort Manasses, en Ephraim, de bescherming van mijn hoofd,

Juda mijn koning.

10. Moab is het bekken mijner hoop.

Naar Edom strek Ik mijn schoeisel uit. Mij zijn vreemdelingen vrienden geworden.

11. Wie zal mij geleiden in de versterkte stad? Wie zal mij geleiden tot in Edom?

12. Zult Gij het niet, o God, die ons verstooten hadt, en zult Gij, o God, niet uitrukken met onze legerscharen?

13. Schenk ons redding uit den nood, want ijdel is de hulp eens menschen.

14. Met God zullen wij manhaftigheid betoonen, en Hij, Hij zal onze vijanden te niet doen.

PSALMUS CVIII. PSALM CVIH.

Vloek over den valschaard.

Klacht van den Psalmist over de boosheid zijner vijanden (v. 2—6). Vloek over den valschaard (v. 6—13); zijne vaderen en hij hebben dien vloek verdiend (v. 14—20). Gods bescherming gewarde den gekwelden zanger (v. 21—29); dan zal At>' God verheerlijken (v. 30—31).

1. Lu finem, Psalmus David.

2. Deus laudem meam ne tacueris:

1. Tot het einde. Een Psalm van David1).

2. O God, verzwijg niet mijnen lof,

*) Zie Ps. LIX noot 9 volg. ' | ») De juistheid van dit opschrift

Sluiten