Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Et induit maledictionem sicut vestimentum, et intravit sicut aqua in interiora ejus, et sicut oleum in ossibus ejus.

19. Fiat ei sicut vestimentum, quo operitur: et sicut zona, qua semper prsecingitur.

20. Hoe opus eorum, qui detrahunt mihi apud Dominum: et qui loquuntur mala adversus animam meam.

21. Et tu Domine, Domine, fac mecum propter nomen tuum: quia suavis est misericordia tua.

Libera me

22. Quia egenus, et pauper ego sum: et cor meum conturbatum est intra me.

23. Sicut umbra cum declinat, ablatus sum: et ezcussus sum sicut locustae.

24. Genua mea infirmata sunt a jejunio: et caro mea immutata est propter oleum.

25. Et ego factus sum opprobrium illis: viderunt me, et moverunt capita sua.

26. Adjuva me Domine Deus meus: salvum me fac secundum misericordiam tuam.

En hij trok vervloeking aan als een gewaad, en zij drong als water in zqn binnenste en als olie in zijne beenderen16).

19. Zij worde hem als een gewaad, dat hem bedekt, en als een gordel, die hem steeds omsluit.

20. Dat zij de vergelding bij den Heer van hen, die mij belasteren en die kwaad spreken tegen mijne ziel1')!

21. En Gij, Heer, o Heer, handel met mij om wille van uwen naam, want goedertieren is uwe barmhartigheid.

Red mij,

22. want een behoeftige en arme ben ik en mijn hart is in mijn binnenste ontsteld.

23. Gelijk een schaduw, als zij neigt, slink ik weg en ik word uitgedreven als sprinkhanen1*).

24. Mijne knieën zijn verzwakt van het vasten, en mijn vleesch is veranderd vanwege de olie19).

25. En ik, ik ben hun tot een smaad geworden; zij zien mij aan en schudden hunne hoofden10).

26. Help mij, o Heer, mijn God! Red mij naar uwe barmhartigheid,

nen en gezegend te zien, daarom zal hij van zegening verstoken blijven. Naar den grondtekst is dat alles reeds in hem vervuld.

-*) Hij is uiterlijk en innerlijk als een levende vloek geworden; de vervloeking is hem zoo eigen en gewoon als het dragen van een gewaad; hij is er vol van, als hadde hij ze gelijk water gedronken; hij is er geheel van doortrokken, evenals het vleesch en de beenderen doortrokken worden van olie; maar daarom (v. 19) worde hij dan ook niet meer bevrijd van den vloek, die hem bedekt en omstrengelt. Over het drinken van vloekwater zie Num. V 11—31. . ,

lT) Dat alles zal een uitvloeisel zijn der rechtvaardigheid Gods, bij wien de

vergelding en de wraak is. Zoo zoekt de zanger ook (v. 21) de beweegredenen voor Gods hulp in God zeiven, in zijne bovenmatige barmhartigheid jegens (v. 22) de onderdrukte vromen.

™) Als eene schaduw tegen den avond langer wordt, verdwijnt zij weldra; zoo is het ook met mij gesteld; gelijk de sprinkhanen door den wind worden weggevoerd, zoo heb ook ik nergens rast noch duur en word ook ik gebannen.

-*) Dit laatste is zeer duister. Meestal legt men het uit: ik zie er afgemergeld uit, daar ik mij in dezen tijd van droefenis niet met olie zalf; of (meer naar den grondtekst): doordien de olie, d. i. de vet- of gezetheid, bn mij verloren gaat.

*°) Ten teeken van spot.

Sluiten