Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

num secundum ordinem Melchisedech. Oen. XIV 18; Joann. XII84; Hebr. V 6 et VII1, 17.

5. Dominus a dextris tuis, confregit in die ira) suas reges.

6. Judicabit in nationibus, imple-

priester in eeuwigheid naar de wijze van Melchisedech7).

5. De Heer aan uwe rechterhand vernietigt koningen ten dage zijner gramschap8).

6. Rechten zal Hij onder de vol-

leger(tocht), in heiligen luister (volgens anderen: «op het heilig gebergte», d. i. Sion). Uit den schoot des dageraads dauwt U uwe jongelingschap neder». De zin is waarschijnlijk: Uw geestelijke krijgstocht, die van Sion uitgaat (v. 2), zal een luisterrijke zegetocht zijn; krijgslieden (in geestelijken zin) zullen U vrijwillig toevloeien, talrijk en heerlijk als de dauwdruppelen, die de dageraad aan het licht brengt.

') Thans geeft de Psalmist de reden op, waarom de Heiland in de glansen der heiligen (v. 3), als opperpriester (zie noot 5), de koninklijke heerschappij oefent (of, naar den grondtekst, waarom zijne krijgslieden in heilig, priesterlijk gewaad optreden): Gezworen, d. i. onherroepelijk heeft de Heer, d. i. de Vader, vastgesteld, dat Gij, Messias, het priesterlijk ambt zult bekleeden; en het zal Hem niet berouwen, d. i. en Hij zal het niet herroepen, daar Gij dat ambt met oneindige volmaaktheid zult vervullen. De Godmensch was priester sedert zijne menschwording (vgl. Hebr. X 5); op dat oogenblik oefende Hij voor het eerst zijn middelaarschap uit tusschen God en de menschen. Dat priesterschap is het zijne in eeuwigheid, omdat Hij (Hebr. Vil 24) «in eeuwigheid blijft», zonder zijne waardigheid neer te leggen of eenen opvolger te hebben; omdat Hij in den hemel voortdurend voor ons het offer van zijnen dood aan zijnen Vader aanbiedt en «altijd leeft om voor ons te bidden» (Hebr, VII 25); omdat een eeuwigdurend heil het uitwerksel van zijn offer is (Hebr. V 9) en omdat Hij op de aarde tot aan het einde der tijden door zijne plaatsvervangers-het offer van zijn vleesch en bloed blijft opdragen. — Naar de wijze, d. i. naar de gelijkenis (aldus Hebr. VII 15), van Melchisedech, een profetisch beeld van Jesus Christus door zijnen naam (Melchisedech = koning der rechtvaardigheid), door zijne waardigheid van pries¬

ter en koning, door den zetel zijner regeering, Salem, d. i. vrede (dus: koning van de stad des vredes, het beeld van het hemelsch Jerusalem); dan ook omdat hij «zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtslijst» (Hebr. VII 3) door Moses vermeld wordt — een beeld van den Verlosser, die geenen mensch tot vader, vóór zijne mensch wording ook geene moeder, en als God geen geslachtslijst had —; verder omdat hij niet, naar de wijze van Aaron, zonen en opvolgers in zijn priesterschap had, maar geheel alleen als priester van den Allerhoogste vermeld wordt, evenals Christus alleen zijn goddelijk opperpriesterschap blijft uitoefenen. Daarenboven was Melchisedech niet, zooals Aaron, priester voor slechts één bepaald volk, maar zegende hij ook Abraham, — als profetisch beeld van Christus, den priester van alle volken, door wien heidenen en Israëlieten zouden gezegend worden; — eindelijk was hij met, gelijk Aaron, aan eenen bepaalden tabernakel gebonden, maar offerde hij zonder tempel brood en wijn op, gelijk de Heiland brood en wijn gebruikte om die in zijn vleesch en bloed te veranderen bij net laatste avondmaal, en gelijk Hij zulks over de gansche wereld blijft doen bij het opdragen van het onbloedig offer der Nieuwe Wet.

8) Door Heer kan hier de Vader bedoeld worden, die den Zoon ter zijde staat (vgl. v. 16); waarschijnlijker echter wordt in v. 5 evenals in v. 6—7 de Zoon bedoeld, die aan de rechterhand des Vaders zit (vgl. v. la) en ten dage zijner gramschap, d. i. als Hij zijne straffende macht wil gebruiken, koningen, d. i. al zijne vijanden, ook de machtigste, vernietigt. Naar gewoonte stelt de Psalmist hier de geestelijke overwinningen van Christus voor onder het beeld der zegepraal van eenen oorlogvoerenden koning.

Sluiten