Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ea: et omnes qui confidunt in eis.

9. Domus Israël speravit in Domino: adjutor eorum et protector eorum est.

10. Domus Aaron speravit in Domino: adjutor eorum et protector eorum est

11. Qui timent Dominum, speraverunt in Domino: adjutor eorum et protector eorum est.

12. Dominus memor fuit nostri: et benedixit nobis:

Benedixit domui Israël: benedixit domui Aaron.

13. Benedixit omnibus, qui timent Dominum, pusillis cum majoribus.

14. Adjiciat Dominus super vos: super vos, et super filios vestros.

15. Benedicti vos a Domino, qui feoit ccelum, et terram.

16. Ccelum cceli Domino: terram autem dedit filiis hominum.

") Door huis van Israël wordt hiér het gezamenlijke volk bedoeld; door huis van Aaron (v. 10) de priesters als onderscheiden van het gewone volk; door die den Heer vreezen (v. 11) de leeken afzonderlijk of de priesters en het volk te zamen of wel, volgens velen, de bekeerlingen. Naar de Vulgaat, die den verleden tijd heeft ter uitdrukking der zekerheid, waarmede Gods zegen verbeid wordt, is de zin: (v. 9) het geheele volk, de priesters (v. 10) en de vrome leeken (v. 11) vertrouwen op den Heer als op hunnen helper en beschermer; daarom (v. 12) zegent Hij het geheele volk, priesters en (v. 13)

leeken. De grondtekst heeft in v. 9 11

telkens «vertrouw».

") Sommigen zien hierin, evenals in v. 15, eenen zegenwensen, die bij de openbare liturgie door de priesters werd uitgesproken over het volk, hetwelk dan in v. 15 antwoordde of bij v. 16 inviel. De zin is: de Heer vermeerdere welstand, macht en kroost bij u en uwe nakomelingen!

") De Psalmist drukt door den tegenwoordigen tijd zijne stellige verwach-

die ze vervaardigen, en allen, die daarop vertrouwen!

9. Het huis van Israël vertrouwt op den Heer, hun helper en hun beschermer is HM,1»).

10. Het huis van Aaron vertrouwt op den Heer; hun helper en beschermer is H^j.

11. Die den Heer vreezen, vertrouwen op den Heer; hun helper en hun beschermer is Hij.

12. De Heer is onzer gedachtig geweest, en HQ heeft ons gezegend.

Gezegend heeft Hij het huis van Israël, gezegend heeft Hij het huis van Aaron.

13. Gezegend heeft Hij allen, die den Heer vreezen, de kleinen met de grooten.

14. Voege de Heer aan u toe, aan u en aan uwe kinderen18)!

15. Gezegend zijt gij van den Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft1*)!

16. De hemel der hemelen is voor den Heer, maar de aarde heeft Hij gegeven aan de kinderen der menschen15).

ting uit. De reden van zijn vertrouwen vindt hij in Gods almacht, die alles gemaakt heeft.

") Sommigen zien hierin een omschrijving van v. 156; de zin is dan: God is almachtig, want Hij. schiep zijne woning, den hemel, en die der menschen, de aarde. Anderen brengen dit tevens in verband met hetgeen volgt in v. 17—18; de zin is dan: de Heer van hemel en aarde (v. 15) zegene u en behoude u in het leven, want de hemel der hemelen, d. i. de hoogste of de geheele hemel, is zijne woning en de plaats, waar Hij zich bij uitstek verheerlijkt; de aarde daarentegen heeft Hij aan de menschen gegeven als hunne woning en als de plaats, waar zij Hem kunnen en moeten verheerlijken. Daaraan sluit zieh dan de bede (v. 17): Heer, doe ons leven hier op aarde, want de dooden loven U (zoo) niet meer (vgl. Ps. CXLIV 1 en Ps. VI noot 6); wij, die nog leven (v. 18), zullen zulks zonder ophouden doen.

— De verlossing uit de slavernij van Egypte en de wonderen, waarmede zij gepaard ging om Israël tot Gods hei-

Sluiten