Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Misericors Dominus, et justus, et Deus noster miseretur.

6. Custodiens parvulos Dominus: humiliatus sum, et liberavit me.

7. Convertere anima mea in requiem tuam: quia Dominus benefecit tibi.

8. Quia eripuit animam meam de morte: oculos meos a lacrymis, pedes meos a lapsu.

9. Placebo Domino in regione vivorum.

5. Barmhartig is de Heer en rechtvaardig, en onze God heeft erbarming5).

6. De kleinen behoedt de Heer; ik was in druk, en Hij' heeft mij gered*).

7. Keer weder, o mijne ziel, tot uwe rust, want de Heer heeft u welgedaan7).

8. Want Hij heeft mijne ziel bevrijd van den dood, mijne oogen van tranen, mijne voeten van het vallen.

9. Behaaglijk wil ik zijn aan den Heer in het land der levenden8).

PSALMUS CXV.

PSALM CXV.

Dankbetuiging voor verleende hulp.

De Psalmist bouwde op Ood, niet op de menschen (v. 10—11). Belofte van openlijken dank voor verkregen hulp (v. 12—14). Ood beschermt de zijnen (v. 15—16). Hernieuwde belofte van dankbaarheid (v. 17—19).

Alleluia. i Alleluia1).

10. Credidi, propter quod locutus 10. Ik geloofde, daarom sprak ik; sum: ego autem humiliatus sum nu was ik bovenmate in druk*). ' nimis. II Cor. IV 13.

6) Omdat God rechtvaardig is, zal Hij den door Hem beloofden steun niet onttrekken aan wie op Hem vertrouwt. Zie Psalm CH 7—8.

6) Gods vaderlijke wijsheid laat ook over zijne kleinen kwellingen komen; verdragen dezen die met geduld, zinnen zij niet enkel op menschelijke hulpmiddelen, maar vertrouwen zij als kinderen op Hem als hunnen Vader, dan behoedt hen de Heer voor grooter gevaren en ondergang. Dit was dan ook het geval met den Psalmist.

') Dat de Heer in het verleden welgedaan heeft is een reden van vertrouwen voor de toekomst.

*) In zijne redding ziet de Psalmist het onderpand van een langer leven. Hebr.: «Ik wil wandelen (naar de Wet en dus ook behaaglijk) voor het aangezicht des Heeren». Anderen zien hier de hoop des volks uitgedrukt, dat thans vaster dan ooit vertrouwt rustig en

Gode behaaglijk in Palestina te blijven leven. Vgl. Ps. XXVI 13 en noot 14.

— De H. Augustinus ziet in dezen Psalm een gebed van den lijdenden Zaligmaker of van de vervolgde Kerk. Volgens Theodoretus, den H. Hiëronymus en anderen is in v. 9 sprake van den hemel, het ware land der levenden, welks bewoners steeds aan God behaaglijk zqn.

') Dit ontbreekt in den grondtekst. Sommigen houden ook dezen Psalm (vgl. Ps. CXIV noot 1) voor een danklied der Israëlieten na de ballingschap; de Psalmist spreekt dan in naam van het gansche volk.

q Ik geloofde, d. i. in God (vgl. Ps. CXIV noot 2), n.1. vooral aan zijne trouw en rechtvaardigheid; daarmede was een vast vertrouwen op Gods hulp verbonden, en, daar mnn geloof zoo krachtig was, sprak ik het ook openlijk

Sluiten