Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Dicat none Israël quoniam bo- i nus: quoniam in saeculum misericordia ejus.

3. Dicat nunc domna Aaron: quoniam in saeculum misericordia ejus.

4. Dicant nunc qui timent Dominum : quoniam in saeculum misericordia ejus.

5. De tribulatione invocavi Dominum : et exaudivit me in latitudine Dominus.

6. Dominus mihi adjutor: non timebo quid f aciat mihi homo. Hebr. XIII 6.

7. Dominus mihi adjutor: et ego despiciam inimicos meos.

8. Bonum est confidere in Domino, quam confidere in nomine:

9. Bonum est sperare in Domino, quam sperare in principibus.

10. Omnes gentes circuierunt me: et in nomine Domini quia ultus sum in eos.

11. Circumdantes cireumdederunt

2. Dat Israël nu zegge: Want Hij is goed; want eeuwig duurt zqne barmhartigheid').

3. Dat het huis van Aaron nu zegge: Want eeuwig duurt zqne barmhartigheid.

4. Dat zij, die den Heer vreezen, nu zeggen: Want eeuwig duurt zqne barmhartigheid3).

5. Uit de benauwing riep ik den Heer aan, en verhoord heeft mij in de ruimte de Heer*).

6. De Heer is mij een helper; ik vrees niet wat mij een mensch doet5).

7. De Heer is mij een helper, en ik, ik zie neder op mijne vijanden6).

8. Beter is het op den Heer te vertrouwen dan te vertrouwen op eenen mensch').

9. Beter is het zich op den Heer te verlaten dan zich te verlaten op vorsten.

10. De heidenen allen omsingelden mij, en in den naam des Heeren oefende ik wraak op hen*).

11. Rondom omsingelden zij mij,

een danklied door David gezongen, toen hij door de twaalf stammen als koning erkend was of nadat hij al zijne heidensche naburen had verslagen. De overige ouderen en de meeste nieuweren meenen integendeel, dat de Psalm voor het eerst gezongen werd bij de inwijding van den tweeden Tempel (I Esdr. VI 15, 16), toen de in v. 5 besproken kwellingen, het weifelen der Perzische vorsten (v. 8—9) en de aanslagen der Samaritanen en andere vijandig gezinde naburen (v. 10—13) een einde hadden genomen. De Psalmist spreekt dan als vertegenwoordiger zijner volksgenooten en als hadde hq de kwellingen des volks en Gods zegeningen persoonlijk en alleen ondervonden. De dramatische vorm van dezen Psalm, een waardig slot van het groote Hallel (vgl. Ps. CXII noot 1), de inhoud en de onderlinge verhouding van verscheiden verzen (o. a. 1—4; 6—-7.

g 9) maken hem tot een overheenq-

ken beurtzang. *) Volgens anderen: dat Israël spreke

nl. Gods lof; of: dat Israël zeggè: Hij is goed.

') Zie Psalm CXIII noot 12.

*) Te midden der benauwing^ (der gevangenschap; zie noot 1) bad ik, en de Heer bracht mij op mijn gebed in de ruimte, d. L buiten kwelling en gevaar. Zoo is God (v. 7—9) steeds bereid krachtdadig te helpen.

') Volgens sommigen: ik vrees niet; wat kan mij een mensch doen?

6l Wier Domineren veriideld znn. Zie

noot 1 en Psalm LUI noot 9. q Dagteekent de Psalm van de inI wijding des tweeden Tempels, dan worden door een mensch en (v. 9) door vorsten wellicht de Perzische Vnnïniran herlnelH. wier steun zeer

wisselvallig bleek. VgL I Esdr. IV en V.

") De Samaritanen spanden met de heidensche satrapen en naburen samen om Israël het werk te doen staken. In den naam, d. L door de almacht, des Heeren, die de zqnen bijstond.

Sluiten