Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

me: et in nomine Domini quia ultus sum in eos.

12. Cireumdederunt me sicut apes, et exarserunt sicut ignis in spinis: et in nomine Domini quia ultus sum in eos.

13. Impulsus eversus sum ut caderem: et Dominus suscepit me.

14. Fortitudo mea, et laus mea Dominus: et factus est mihi in salutem. Exod. XV 2.

15. Vox exsultationis, et salutis in tabernaculis justorum.

16. Dextera Domini fecit virtutem: dextera Domini exaltavit me, dextera Domini fecit virtutem.

17. Non moriar, sed vivam: et narrabo opera Domini.

18. Castigans castigavit me Dominus: et morti non tradidit me.

19. Aperite mihi portas justitia), ingressus in eas confitebor Domino:

•) Gelijk bijen, nl. in groote menigte, met veel woede en gegons, tot groot ongemak wel is waar, maar, ten gevolge van Oods hulp, zonder groot gevaar. Zij waren als een vuur onder doornen, dat een oogenblik hoog opflikkert en knettert, maar spoedig uitgebrand is. Hebr.: «zij doofden uit als vuur van doornen».

") Mijne vijanden stieten mij en deden mij bereids struikelen om mij geheel te doen vallen, maar de Heer ving mij op en belette mijnen val. Naar den grondtekst richt de zanger het woord tot zijne vijanden, als waren dezen één persoon: «geweldig stiet gij mij om te vallen».

") Met dezelfde woorden werd God door Moses verheerlijkt (Exod. XV 2) wegens de bevrijding der Israëlieten uit de macht der Egyptenaren. Mijn lof, d. i. de oorzaak van mijnen lof, wien dus alle eer toekomt; of: het voorwerp van mijnen lof, dat ik boven alles moet verheffen.

") In de woningen der vromen, d. i. der oprechte Israëlieten, weerklinkt nu

en in den naam des Heeren oefende ik wraak op hen.

12. Zij omsingelden mij gelijk bijen, en zij flikkerden op gelijk vuur onder doornen, en in den naam des Heeren oefende ik wraak op hen9).

13. Ik werd gestooten, omvergeworpen, opdat ik zou vallen, en de Heer ondersteunde mij10).

14. Mijne sterkte en mijn lof is de Heer, en Hij werd mij ten heil").

15. Eene stem van gejubel en heil is in de tenten der vromen12).

16. De rechterhand des Heeren heeft kracht geoefend; de rechterhand des Heeren heeft mij verheven; de rechterhand des Heeren heeft kracht geoefend18).

17. Ik zal niet sterven, maar leven, en de werken des Heeren verkondigen1*).

18. Gekastijd en getuchtigd heeft mij de Heer, en aan den dood gaf Hq mij niet over15).

19. Opent mq de poorten der gerechtigheid; ik wil ze binnentreden en den Heer verheerlijken16).

een gejubel over het heil, dat aan het volk geschonken werd. Wat daar weergalmt, volgt in v. 16.

") Door de verlossing en de verheffing van zijn volk.

1) In de ballingschap zou Israël zijn volksbestaan verloren hebben; daarom trekt dan ook de Psalmist uit de verschafte redding de slotsom, dat Israël als volk zal blijven leven om de wonderdaden van Gods barmhartigheid te verkondigen.

") Zwaar was de tuchtiging des zondigen volks door en in de ballingschap ; God wilde echter niet den dood des zondaars, maar zijne bekeering en zijn leven.

") Thans is de stoet tot het heiligdom genaderd; waarschijnlijk wordt verondersteld, dat een koor van priesters en levieten zieh daarin bevindt. De zanger wil met het volk, in welks naam hij spreekt, God in zijn heiligdom komen danken en vraagt daarom, dat men hem de poorten der gerechtigheid opene. Zoo noemt hij de poorten des heiligdoms, omdat daarin de God der

Sluiten