Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20. Hsec porta Domini, justi intrabunt in eam.

21. Confitebor tibi quoniam exaudisti me: et factus es mihi in salutem.

22. Lapidem, quemreprobaverunt aedificantes: bic factus est in caput anguli. Is. XXVIII 16; Matth. XXI 42; Luc. XX17; Act IV 11; Rom. IX 33; I Petr. II 7.

23. A Domino factum est istud: et est mirabile in oculis nostris.

24. Haec est dies, quam fecit Dominus: exsultemus, et laetemur in ea.

25. O Domine salvum me fac, o Domine bene prosper are:

26. Benedictus qui venit in nomine Domini. Matth. XXI 9.

Benediximus vobis de domo Domini:

27. Deus Dominus, et illuxit nobis.

20. Dit is de poort des Heeren; de gerechtigen treden ze binnen17).

21. Dx zal U loven, daar Gij mij verhoord hebt en mij ten heil zijt geworden18).

22. De steen, dien de bouwlieden verwierpen, die is geworden tot hoeksteen19).

23. Vanwege den Heer is dit geschied, en wonderbaar is het in onze oogen.

24. Dit is de dag, dien de Heer heeft gemaakt; laten wij daarop jubelen en ons verblijden*0).

25. O Heer, schenk mij heil! Heer, schenk goed gedijen21) f

26. Gezegend zij hij, die komt in den naam des Heeren22)!

Wij zegenen u uit het huis des Heeren23).

27. God is de Heer, en Hij heeft ons beschenen*4).

gerechtigheid woont en (v. 20) alleen de gerechtigen daar mogen binnentreden.

*q Antwoord der priesters en levieten. De poort staat hier figuurlijk voor huis. Vgl. Psalm XIV 2; XXIII4.

") De zanger spreekt ook hier wederom in haam van het volk.

**) Mogelijk was dit een destijds gebruikelijk spreekwoord, hetwelk beteekende: wat eerst voor niets geteld werd, is thans de hoofdzaak geworden. Voor hen, die den Psalm aan David toeschrijven, is de zin: het eens door vorsten en volk geminachte huis van David is door Gods toedoen het hoofd en heil van allen geworden. — Anderen meenen, dat hier de een tijdlang verwaarloosde stoffelijke hoeksteen of grondslag van den tweeden Tempel bedoeld wordt. — Voor anderen is de steen het Israëlietische volk, dat door vorsten en volkeren bij het opbouwen hunner wereldrijken geminacht en vervolgd, maar nu door het herbouwen van stad en Tempel de hoeksteen was geworden, waarop het heil der volken zon zijn gegrondvest; immers van Israël zou het heil der wereld uitgaan.

M) Bedoeld wordt de dag of het feest der tempelwijding, waarop en

waarover het volk wel mocht jubelen, dewijl die viering alleen door Gods hulp mogelijk geworden en zij tevens een onderpand van toekomstige zegeningen was.

**) Mij ontbreekt m den grondtekst en de Septuagint De grondtekst heeft: «hosji'aana», d. t: o Heer, schenk toch heil! of: o Heer, help toch! Daaruit ontstond de veeleer Grieksche vorm «hosanna», de bekende jubelkreet. Vgl. Matth. XXI 9; Joan. XII 13.

»») Op het gebed des volks om heil (y. 25) antwoorden nu de priesters door eene zegening: Hij, die komt, is dezelfde, die v. 19 verzocht: Opent mij de poorten. Velen verklaren dit: gezegend zij in den naam (d. i. door de kracht) des Heeren, hij die (d. i. het volk, dat) komt in Gods Tempel. '

**) Wfl, priesters, die tot het huis des Heeren behooren (vgl. Psalm Lx.VII 27 en noot 26), of die ons thans daarin bevinden, zegenen u (nl. het volk).

»•) Om het volk tot een schitterende feestviering op te wekken vat de Psalmist hier alle weldaden Gods samen. In den nacht van het ongeluk heeft de Almachtige ons beschenen met het licht van zijn heil.

Sluiten