Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS CXIX.

PSALM CXIX.

Gebed om hulp tegen booze tongen.

De Heer verhoorde steeds mijn gebed (v. 1). Moge Htj ook nu dm lasteraar vergelding schenken (v. 2—4), want boosaardig is mijne omgeving (v. 5—7).

1. Canticum graduum.

Ad Dominum cum tribularer clamavi: et exaudivit me.

2. Domine libera animam meam a labiis iniquis, et a lingua dolosa.

3. Quid detur tibi, aut quid apponatur tibi ad linguam dolosam?

4. Sagittse potentis acutsB, cum carbonibus desolatoriis.

5. Heu mihi, quia incolatus meus prolongatus est: habitavi cum habitantibus Cedar:

1. Een gezang der opgangen1). Tot den Heer riep ik, toen ik gekweld werd, en Hij verhoorde mq»).

2. O Heer, bevrijd mijne ziel van booze lippen en van eene arglistige tong3)! , ,

3. Wat zal u gegeven worden, oi wat zal u worden toegelegd voor eene valsche tong*)?

4. De scherpe schichten van een sterke met vernietigende kolen5).

5. Wee mij, dat mijne uitlandigheid blijft duren! ik woon bij die Cedar bewonen6).

M Wat dit opschrift van Ps. CXIX— CXXXIII beteekent is niet met zekerheid te bepalen. Mogelijk duidt het aan, dat die liederen gezongen werden tijdens den terugkeer uit Baby Ion of wel wanneer de Israëlieten driemaal 'si aars ter feestviering naar Jerusalem «opgingen, (vgl. Deut. XVI 16); misschien ook wijst die uitdrukking op de plek, waar men ze zong in den tempel, nl. op de vijftien trappen, die uit het voorhof der vrouwen naar de poort van Nicanor en het voorhof der mannen voerden. — Anderen zien daarin de aanduiding van een bepaalden, hoogeren toon bij het zingen; volgens anderen wijst het op den rhythmus ontstaande uit de herhaling eener in het voorafgaande vers reeds gebezigde uitdrukking («anadiplosis»), zooals zulks in deze Psalmen herhaaldelijk, alhoewel niet uitsluitend, voorkomt. Onder de H H. Vaders zien de H.H. Hilarius, Augustinus en Hiëronymus, naar den geestelijken zin van het opschrift, m deze Psalmen gevoelens en zedelessen uitgedrukt voor de verschillende toestanden eener ziel, die van dit tranendal langs de verschillende trappen der deugden opgaat naar het hemelsch

q11 Misschien spreekt de dichter hier

alleen in zijnen naam of wel in dien der gevangenen te Babyion of der onlangs uit de ballingschap teruggekeerde Israëlieten, die veel te lijden hadden van de Samaritanen en andere vijanden, welke hen bij de koningen van Perzië belasterden. Niets belet echter v. 2 te vertalen: Tot den Heer roep ik (telkens) als enz.

") Bedoeld wordt misschien die der vijandig gezinde Babyloniërs of wel die der Samaritanen, welke een lasterlijk schrijven aan Artaxerxes zonden. Vgl. I Esdr. IV 11 volg.

«) De zin is waarschijnlijk: Wat zal de rechtmatige vergelding voor uwe valschheid zijn, lasteraar? Het antwoord volgt m v. 4. ..

*) Zijne lastertaal heeft diepe, schrijnende wonden geslagen; hij zal nu met gelijke munt betaald worden: de straffen die over hem komen, zullen hem diepe wonden slaan, gelijk scherpe schichten, afgeschoten door een sterke, zij zullen hem verteren gelijk vlammende AoZew (Septuag..«der woestijn.), die alles rondom vernietigen. Heer., «met gloeiende kolen van jeneverboonien., d. i. die lang en ymmg branden.

«) Mijne uitlandigheid, nl.in de ballingschap of misschien ook ui het Heilig I Land zelf, waar de vreemden meester

Sluiten