Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Multum incola tuit anima mea.

7. Cum nis, qui oderunt pacem, eram pacificus: cum loquebar illis, impugnabant me gratis.

6. Lang is mijne ziel uitheemsch7).

7. Met hen, die den vrede haten, ben ik vreedzaam; als ik met hen spreek, bestrijden zij mij zonder reden.

PSALMUS CXX.

PSALM OXX.

Gebed om Gods gedurige bescherming.

De Psalmist verwacht hulp van den Almachtige (v. 1—2). Hij voorspelt fieh die voor alle omstandigheden des levens (v. 3—8).

Cantioum graduum.

1. Levavi oculos meos in montes, unde veniet auxilium mihi. II Par. XX17.

2. Auxilium meum a Domino, qui fecit ccelum et terram.

3. Non det in commotionem pedem tuum: neque dormitet qui custodit te.

Een gezang der opgangen1).

1. Dc verhef mijne oogen naar de bergen, vanwaar hulp voor mij zal komen2).

2. Mijne hulp komt van den Heer, die den hemel en de aarde gemaakt heeft

3. Hij geve uwen voet niet over aan wankelbaarheid, en geenszins sluimere Hij, die u behoedt3).

zijn en waar ik als verbannen woon tusschen een boosaardig volk. Cedar, tweede zoon van Ismaël (vgl. I Par. I 29), was de stamvader van een woest nomadenvolk, hetwelk ten oosten van Palestina zijne tenten opsloeg in een land, dat insgelijks Cedar, in de Assyrische opschriften •Qidru» en «Qadru» genoemd wordt. De grondtekst heeft: «Wee mij, dat ik een vreemdeling ben in (bij de) Mesech, dat ik woon bij de tenten van Cedar». Het volk van Mesech woonde, naar het schijnt, tusschen de Kaspische en de Zwarte Zee. Mogelijk zijn Mesech en Cedar spreekwoordelijk gebezigd en is de zin: ik woon onder twistzieke barbaren.

q Hebr.: «lang genoeg woon ik onder hen, die den vrede haten; ik ben vrede (lievend), maar als ik spreek (van vrede), willen zij oorlog».

— Deze Psalm in zijn geheel, zegt Bellarminus, past in den mond van alle gekwelde uitverkorenen, maar paste voornamelijk in dien van Christus, hun hoofd, gedurende zijn tijdelijk leven. Immers ook Hij bad (vgl. Matth. XXVI 39 volg.) in zijne kwellingen tot zijnen Vader (v. 1); ook Hij werd belasterd door arglistige vijanden (v. 2), over

welke de verdiende vergelding kwam (▼• 3—*); ook Hij moest hier op aarde, verwijderd van het hemelsch Jerusalem, verblijven bij hen, die Cedar, d. i. de duisternis, bewoonden (v. 5—6) ; ook Hij eindelijk, de vorst des vredes, werd zonder reden (vgl. Joan. XV 25) gehaat en bestreden door hen, tot wie Hij de woorden der waarheid en des vredes sprak (v. 7). Aldus o. a. ook Dionysius Carthusianus.

*) Zie Psalm CXIX noot 1.

*) De Psalmist, wellicht nog in ballingschap, spreekt waarschijnlijk hier in naam van het gansche volk. Vol geloof ziet hij op naar de bergen in de richting van Jerusalem. Van Sion, Gods aloude zetelplaats, moet naar zijne opvatting alle hulp komen (vgl. Ps. Xni noot 11). Hebr.: «vanwaar komt mij hulp»? Het antwoord volgt dan in v. 2.

*) De Psalmist richt hier het woord tot zich zeiven als vertegenwoordiger des volks. De zin is: Hij beveilige u tegen alle onheil en wake steeds over u; dat zal Hij, want (v. 4) Hij Is de beschermer van Israël.

Sluiten