Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS CXXIV.

PSALM CXXIV.

Wie op God vertrouwt, heeft op een rots gebouwd.

Opwekking tot vertrouwen op Ood, die de zijnen beschut en redt (v. 1—3). Gebed om hulp (v. 4). Straf der afvalligen (v. 5a). Heilwensch (v. 5b).

1. Canticum graduum.

Qui confidunt in Domino, sicut mons Sion: non commovebitur in aeternum, qui habitat

2. Lu Jerusalem.

Montes in circuitu ejus: et Dominus in circuitu populi sui, ex hoe nunc et usque in saeculum.

3. Quia non relinquet Dominus virgam peccatorum super sortem justorum: ut non extendant justi ad iniquitatem manus suas.

4. Benefac Domine bonis, et rectis corde.

5. Declinantes autem in obligationes, adducet Dominus cum operantibus iniquitatem: pax super Israël.

1. Een gezang der opgangen1). Die op den Heer vertrouwen zijn

als de berg Sion; hij zal in eeuwigheid niet wankelen, die woont

2. in Jerusalem5).

Bergen zijn rondom haar, en de Heer is rondom zijn volk van nu en tot in eeuwigheid3).

3. Want geenszins zal de Heer den staf der zondaars laten blijven op het erfdeel der rechtvaardigen, opdat niet de rechtvaardigen hunne handen uitstrekken tot ongerechtigheid4).

4. Doe wel, Heer, aan de goeden en aan die oprecht van harte zijn.

5. Maar die op slinksche wegen afwijken, die zal de Heer bijeenbrengen met boosdoeners. Vrede over Israël3)!

niet door onze kracht, maar door die van den Almachtige, wiens hulp wij inroepen.

Naar den geestelijken zin passen

de woorden van dezen Psalm in den mond der van de vervolgingen bevrijde martelaren (aldus o. a. de H. Augustinus en Cassiodorus) en van de overige uitverkorenen, die dagelijks van de kwellingen hunner vijanden bevrijd worden (aldus o. a. Bellarminus) of ook van degenen, die hier op aarde door Gods hulp onttrokken worden aan de driften, bekoringen en kwellingen (aldus o. a. Dionysius Carthusianus).

>) Zie Psalm 119 noot 1. Dichter en dagteekening van dezen Psalm zijn onbekend; de inhoud (v. 3) wijst op eenen tijd van verdrukking en (v. 5) van gevaar voor afval, en dus waarschijnlijk op den tijd na de ballingschap, toen de Samaritanen het opbouwen van den tempel en de muren wilden ver hinderen (vgl. I Esdr. IV; II Esdr. IV) en sommige Israëlieten gemeen¬

schap sloten met ongeloovigen (I Esdr. IX; II Esdr. XIII).

*) De zin is: die vol vertrouwen op den Heer in Jerusalem wonen, zijn, als Gods beschermelingen (zie Psalm XIV noot 1), onwrikbaar gelijk de berg Sion en zullen in eeuwigheid niet wankelen, d. i. een bestendigen voorspoed genieten. De grondtekst heeft: «hij (d. i. de berg Sion) wankelt niet; in eeuwigheid staat hij}, (v. 2) Jerusalem, bergen zijn» enz.

*) Gelijk Jerusalem omringd is van beschuttende bergen, zoo omringt God steeds de zijnen met zijne bescherming.

*) God zal niet gedoogen, dat de zondaars, d. i. de boosaardige vervolgers van zijn volk, hunnen staf blijven leggen, d. i. gewelddadigheden blijven plegen, op het land, dat Hij den zijnen ten erfdeel heeft gegeven; Hij zal dat verhinderen, opdat de rechtvaardigen zich niet. ontmoedigd en bedrogen door het schijngeluk der boozen, aan ongerechtigheid overgeven. Vgl, I Cor. X 13.

s) Volgens de Septuagint: «die zich

Sluiten