Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS OXXV. PSALM CXXV.

Vreugde en hoop der teruggekeerde ballingen.

Opgetogenheid over het eindigen der gevangenschap (v. 1—S). Gebed om voltooiing van dien zegen (v. 4). Betuiging van vertrouwen (v. 5—6).

1. Canticum graduum.

In convertendo Dominus captivitatem Sion: facti sumus sicut consolati:

2. Tune repletum est gaudio os nostrum: et lingua nostra exsultatione.

Tune dicent inter gentes: Magnificavit Dominus facere cum eis.

3. Magnificavit Dominus facere nobiscum: facti sumus laetantes.

4. Converte Domine captivitatem nostram, sicut torrens in austro.

5. Qui seminant in lacrymis, in exsultatione metent.

1. Een gezang der opgangen1). Toen de Heer de gevangenschap

wendde van Sion, waren wij als getroosten2).

2. Toen werd onze mond met blijdschap vervuld, en onze tong met gejuich.

Toen sprak men onder de heidenen : Grootdadig heeft de Heer gehandeld met hen.

3. Grootdadig heeft de Heer gehandeld met ons; wij zijn blijmoedig geworden.

4. Wend, Heer, onze gevangenschap af, als een waterbeek in het zuiden3).

5. Die zaaien met tranen, met gejubel zullen zij maaien4).

(van God weg) naar strikken wenden». Hebr.: «die (van den weg der geboden) hunne kronkelpaden afwenden». De zin is: zij, die, wars van Gods geboden, anderen arglistig tot kwaad zoeken te verleiden of te benadeelen, zullen op eene rij gesteld (naai' de Septuagint: «weggevoerd», d. i. gedoemd) worden met de boosdoeners.

— Naar Dionysius Carthusianus, die hierin den H. Augustinus volgt, handelt deze Psalm over het vertrouwen, dat door den Christen op God dient gesteld te worden; wie dat doet, is onwankelbaar in het goede, evenals het hemelsche Sion onwrikbaar is en zijne bewoners in het bezit van God bevestigd zijn (v. 1—2); beschermend omringen hem de engelen en God zelf (v. 2b), die hem niet zal overlaten aan de macht en de verleiding der boozen (v. 3). Zoo moge God dan de vromen zegenen (v. 4)! Wie het pad der deugd verlaat deelt het rampzalige lot der duivelen, terwijl vrede ten deel valt aan de ware vromen (v. 5).

*) Zie Psalm 119 noot 1. Blijkens

den inhoud schijnt deze Psalm een gebed te zqn van die Israëlieten, welke onder aanvoering van Zorobabel met vreugde in hun vaderland waren teruggekeerd, maar ook met droefheid moesten ontwaren, dat het land onbebouwd en woest lag; daarom wenschen, zij (v. 4), dat God ook de overige Israëlieten als een weldadige stroom moge terugvoeren, opdat zq dan het land vruchtbaar maken.

*) Toen God door Cyrus de gevangenschap der kinderen van Sion ophief, d. L, naar het Hebr., in concreten zin: toen God de gevangen kinderen van Sion deed wederkeeren, waren wij uitermate opgetogen (Hebr.: «als droomenden», d. L wij konden het nauwelijks gelooven).

") De zin is waarschijnlijk: breng ook de overige gevangenen naar het verlaten vaderland terug, gelijk een waterbeek zulks met hare wateren in den regentijd doet ter besproeiing van het dorre land in het zuiden.

*) De dichter drukt hier zijne hoop op Gods zegen uit door een op de ervaring gegronde spreuk: heerscht er

Sluiten