Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS CXXIX. PSALM CXXIX.

Berouw en hoop.

Geroep om hulp in diepe ellende fv. 1—2); schuldbekentenis fv. 3); vertrouwen op Gods barmhartigheid (v. 4—5). Opwekking van het volk tot hoop op Gods ontwijfelbaren bijstand (v. 6—8).

1. Canticum graduum. I 1. Een gezang der opgangen1). De profundis clamavi ad te Do- Dit de diepten roep ik tot D,

mine: 0 Heer»)!

2. Domine exaudi vocem meam: 2. Heer, geef gehoor aan mijne

stem!

Fiant anres tua? intendentes, in Mogen uwe ooren luisteren naar

vocem deprecationis mea). de stem van mijne smeeking!

3. Si iniquitates observaveris Do- 3. Zoo Gij op ongerechtigheden mine: Domine quis sustinebitf acht geeft, Heer, o Heer, wie zal

bestand zqn5)?

4. Quia apud te propitiatio est: 4. Want bij TJ is de verzoenlijket oroDter leeem tuam sustinui te beid, en wegens uwe Wet verbeid Domine. ik U, o Heer*)!

Sustinuit anima mea in verbo Mijne ziel wacht op zijn woord5), ejus:

5. Speravit anima mea in Domino. ' 5. Mijne ziel hoopt op den Heer.

aanleiding om in het voorbijgaan de maaiers te groeten met den heilwensen: Des Heeren zegen zij op u (vgl. Ruth II 4), en dezen om te antwoorden: wij zegenen u enz. Sommigen meenen, dat vrij zegenen u enz. oorspronkelijk niet bij den Psalm behoorde.

— Evenals het uit de gevangenschap verloste, maar door zijne vijanden nog steeds gekwelde Israël, werd de Kerk van den beginne af (v. 1—3) onophoudelijk door hare vijanden belaagd, zonder dat dezen haar ooit konden overheeren. God immers vernietigde hen steeds in het verleden (v. 4) en zal hen ook in de toekomst steeds te schande maken (v. 5—8). Aldus de H. Augustinus en anderen.

q Zie Ps. CXIX noot 1. De dichter van dezen boetpsalm is onbekend; naar alle waarschijnlijkheid spreekt hij in v. 1—5 als vertegenwoordiger van het volk, dat blijkens v. 6—8 in denzelfden treurigen toestand als hij zelf verkeert Naar men gist, was de Psalm eene uiting van berouw en hoop bij de bannelingen.

q Uit de diepten, d. L uit diepe wa-

I teren, uit de peillooze ellende, waarin ik gestort ben door de zonden, die mij ver van u verwijderd hebben. *) De Psalmist hoopt niet, dat God de

] zonden ongemerkt late voorbijgaan of ze vergete, want dat is onmogelijk,

I maar dat Hij in zqne barmhartigheid zonden en straffen kwijtschelde. De

j grond van die hoop volgt in v. 4. *) Bij U enz., d. L uw wezen is de

; verzoenlijkheid zelf, immers Gij wilt niet den dood des zondaars, maar dat hij zich bekeere en leve (Ezech. XVIII

I 23). Daarenboven verbeid ik U, d. i.

| uwe genade en hulp, wegens uwe Wet, nl. wegens de beloften van uw ver-

I bond; dientengevolge verwerpt Gij de uwen niet geheel en al, maar tuchtigt hen tot hun heil, brengt hen tot boetvaardigheid en schenkt hun dan vergiffenis. Hebr. (v. 4—6): «Maar bij U is verzoening, opdat men U vreeze. Ik wacht op den Heer; mijne ziel

l wacht, en op zqn woord hoop ik. Mijne ziel (wacht) op den Heer, meer dan wachters op den morgen, wachters (wachtende) op den morgen >. *) Op de vervulling zijner belofte.

I Zie noot 4.

Sluiten