Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16. Sacerdotes ejus induam salutari: et sancti ejus exsultatione exsultabunt.

17. Illuc producam cornu David, paravi luoernam Ghristo meo. Mal. III1; Luc. I 69.

18. Inimicos ejus induam confusione: super ipsum autem efflorebit sanctificatio mea.

16. Hare priesters zal Dx met heil bekleeden, en hare heiligen zullen jubelen en juichen11).

17. ^ Daar zal Dx eenen hoorn voor David doen uitspruiten, eene lamp bereiden voor mijnen gezalfde*6).

18. Zijnevijandenzallkmetschande bekleeden, maar over hem zal mijne heiliging bloeien16).

PSALMUS CXXXLT. PSALM CXXXH.

Voordeelen der godsdienstige gemeenschap.

Waar broeders in godsdienstige gemeenschap vereenigd blijven, daar schenkt Ood rijken en bestendigen zegen.

1. Canticum graduum David.

Ecce quam bonum, et quam jucundum habitare fratres in unum:

") Zie noot 9.

") Door hoorn wordt hier de macht en heerlijkheid bedoeld, die God aan David, zijnen gezalfde, d. i. aan diens nakroost, zal verleenen, of ook het krachtig en gezegend nakroost zelf. Deer lamp wordt herhaaldelijk (vgl. III Reg. XI 36 en XV épIV Reg. VHI19) een nakomeling aangeduid; de zin is dus: Ik zal aan mijnen gezalfde, nl. David of Salomon, nakroost bezorgen. Sommigen zien hier in lamp of licht enkel een zinnebeeld van heil en zegen. Vgl. Ps. XVII noot 4 en 26.

") Hebr.: «maar op hem (op zijn hoofd en dat zijner nakomelingen) zal zijne kroon schitteren», nl. die Ik hem geschonken heb om hem tot heiliging te strekken, en die hem als een geheiligden persoon zal doen kannen.

— De H. Hilarius en anderen leggen hoofdzakelijk v. 11 en 17—18 inden letterlijken zin uit als een voorspelling der komst van den Messias, door en in wien alleen alle aan David gedane beloften hare volledige vervulling konden erlangen (vgl. Ps. LXXXVIIÏ noot 5, 20 en 24). Anderen vinden in de vrucht (v. 11), den hoorn en de lamp (v. 17) naar den letterlijken zin Salomon, naar den typischen zijn tegenbeeld, Christus, aangeduid, aan wien in

1. Een gezang der opgangen. Van David1).

Zie, hoe goed en hoe aangenaam het samenwonen is van broeders2),

de H. Schrift beide laatste namen worden toegekend (vgl. Apoc. XXI 23; Luc. I 69). Intusschen zien de HH. Athanasius, Hiëronymus en Augustinus hier, evenals Joan. V 35, door de lamp den H. Joannes, voorlooper des Zaligmakers, aangeduid. In het sluitvers worden dan de overwinningen van den Heiland en zijne Kerk voorspeld, benevens de glorie, welke Hem en zijnen heiligen ten deel valt in den hemel.

l) Zie Ps. CXIX noot 1. Van David ontbreekt in de Septuagint. De meesten houden dit opschrift voor juist en meenen, dat David dezen Psalm zong, toen hij alle stammen onder zijnen schepter vereenigd had (vgl. II Reg. V 1—4 en I Par. XI 1—7); op die vereeniging werd het zegel gedrukt door de godsdienstige gemeenschap, weshalve deze hier aangeprezen wordt. Volgens anderen prijst de Psalm de zegeningen van de godsdienstige hereeniging der stammen of der levieten na de ballingschap (zie Ps. CXXXHI). De inhoud maakte overigens den Psalm tot een alleszins passend lied voor de rondom het heiligdom geschaarde pelgrims.

q Dit geldt voor elk eendrachtig

Sluiten