Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dominus: psallite nomini ejus, quo- | niam suave.

4. Quoniam Jacob elegit sibi Dominus, Israël in possessionem sibi.

5. Quia ego cognovi quod magnus est Dominus, et Deus noster prae omnibus diis.

6. Omnia quaecumque voluit, Dominus fecit in ccelo, in terra, in mari, et in omnibus abyssis.

7. Educens nubes ab extremo terra?: fulgura in pluviam fecit. Jer. X13.

Qui producit ventos de thesauris suis:

8. Qui percussit primogenita JEgypti ab homine usque ad pecus. Exod. XII 29.

9. Et misit signa, et prodigia in medio tui Egypte: in Pharaonem, et in omnes servos ejus.

10. Qui percussit gentes multas: et occidit reges fortes: Jot. XIII, 7.

11. Sehon regem Amorrhaeorum, et Og regem Basan, et omnia regna Chanaan. Num. XXI24, 83,35.

12. Et dedit terram eorum hereditatem, hereditatem Israël populo tuo. Jot. XI28.

13. Domine nomen tuum in aeternum: Domine memoriale tuum in generationem et generationem.

14. Quia judicabit Dominus populum suum: et in servis suis deprecabitur.

de Heer; prijst zijnen naam op het psalter, want hij is liefelijk3).

4. Want de Heer heeft zich Jacob verkozen, Israël tot zijn eigendom4).

5. Want ik weet het, dat de Heer groot is en onze God boven alle goden5).

6. Al wat Hij wil, doet de Heer in den hemel en op de aarde, in de zee en in alle diepten.

7. Hij doet wolken verrijzen van het uiteinde der aarde; bliksems maakt Hij tot regen6).

Hij brengt winden te voorschijn uit zqne schatkamers7).

8. Hij sloeg de eerstgeborenen van Egypte, van mensch tot vee.

9. En Hij zond teekenen en wonderen in uw midden, Egypte, tegen Pharao en tegen al zijne dienaren.

10. Hij sloeg vele volken en doodde machtige koningen,

11. Sehon, den koning der Amorrheërs, en Og, den koning van Basan, en alle koninkrijken van Chanaan.

12. En hij gaf hun land ten erfdeel, ten erfdeel aan Israël, zqn volk.

13. O Heer, uw naam is eeuwigdurend, o Heer uwe gedachtenis van geslacht tot geslacht.

14. Want de Heer doet recht aan zqn volk, en Hq laat zich verbidden voor zqne dienaren8).

*) Zie Psalm VIII noot 4. "Waardoor Gods goedheid vooral bleek, wordt vermeld in v. 4.

4) Jacob en Israël duiden hier evenals elders het gansche nageslacht van dien aartsvader aan.

•) Looft den Heer, want door het beschouwen zijner werken (v. 6 volg.) weet ik, en gij dus met mij, dat Hq de Oneindige en Almachtige is.

e) De Psalmist somt hier eenige daden op van Gods almacht (v. 6). God doet de wolken van het uiteinde der aarde, d. i. aan den gezichteinder of

| uit de zee, die de aarde omspoelt, opkomen en maakt, dat de bliksemende onweerswolken zich ontlasten door een

weldadigen regen.

q Hij houdt de winden opgesloten voor zijne oogmerken en zq kunnen eerst'dan losbarsten, als Hij ze te voorschijn brengt.

• ") Een bijzondere reden, waarom de naam des Heeren (v. 13) eeuwig roemwaardig zal zijn, is, dat God zelf recht doet wedervaren aan het verdrukt* volk zijner dienaren, over welke Hij zich gaarne ontfermt.

Sluiten