Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Confitemini Deo deorum: quoniam in aeternum misericordia ejus.

3. Confitemini Domino dominorum: quoniam in aeternum misericordia ejus.

4. Qui facit mirabilia magna solus: quoniam in aeternum misericordia ejus.

5. Qui fecit ecelos in intellectu: quoniam in aeternum misericordia ejus. Oen. 11.

6. Qui firmavit terram super aquas: quoniam in aeternum misericordia ejus.

7. Qui fecit luminaria magna: quoniam in aeternum misericordia ejus.

8. Solem in potestatem diei: quoniam in aeternum misericordia ejus.

9. Lunam, et stellas in potestatem noctis: quoniam in aeternum misericordia ejus.

10. Qui percussit jEgyptum cum primogenitis eorum: quoniam in aeternum misericordia ejus. Exod. XII 29.

11. Qui eduxit Israël de medio eorum: quoniam in aeternum misericordia ejus. Exod. XIII 17.

12. In manu potenti, et brachio excelso: quoniam in aeternum misericordia ejus.

13. Qui divisit Mare rubrum in divisiones: quoniam in aeternum misericordia ejus,

14. Et eduxit Israël per medium ejus: quoniam in aeternum misericordia ejus.

15. Et excussit Pharaonem, et virtutem ejus in Mari rubro: quo.niam in aeternum misericordia ejus. Exod. XIV 28.

16. Qui traducit populum suum per desertum: quoniam in aeternum misericordia ejus.

2. Looft den God der goden, — want eeuwig duurt zijne barmhartigheid.

3. Looft den Heer der heeren, — want eeuwig duurt zijne barmhartigheid

4. Die groote wonderdaden doet, alleen, — want eeuwig duurt zqne barmhartigheid.

5. Die de hemelen gemaakt heeft met beleid, — want eeuwig duurt zijne barmhartigheid.

6. Die het aardrijk heeft gevestigd op de wateren*), — want eeuwig duurt zijne barmhartigheid.

7. Die de groote lichten heeft gemaakt, — want eeuwig duurt zijne bamhartigheid,

8. de zon ter beheersching van den dag, — want eeuwig duurt zijne barmhartigheid,

9. de maan en de sterren ter beheersching van den nacht, — want eeuwig duurt zijne barmhartigheid.

10. Die Egypte sloeg met hunne eerstgeborenen, — want eeuwig duurt zijne barmhartigheid.

11. Die Israël uitleidde uit hun midden, — want eeuwig duurt zqne barmhartigheid,

12. met machtige hand en hoogverheven arm, — want eeuwig duurt zqne barmhartigheid.

13. Die de Roode Zee in deelen kliefde, — want eeuwig duurt zijne barmhartigheid,

14. en Israël door haar midden voerde, — want eeuwig duurt zijne barmhartigheid,

15. en Pharao en zijne legermacht nederstortte in de Roode Zee, — want eeuwig duurt zijne barmhartigheid.

16. Die zijn volk door de woestijn leidde, — want eeuwig duurt zqne barmhartigheid.

q Zie Psalm XXIII noot 3.

Sluiten