Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS CXXXVIII.

PSALM CXXXVIII.

Gebed tot den Alwetende en den Alomtegenwoordige.

God kent en weet allét fv. 1—6); Hij ia de Alomtegenwoordige fv. 7—12), de almachtige Schepper, Bestierder en Looner van den mensch fv. 13—18). Zijne vijanden verdienen straf en haat fv. 19—22), terwijl de Psalmist, die de zonde vermijdt, op genade en zaligheid hoopt fv. 23—24).

1. In finem, Psalmus David.

Domine probasti me, et cognovisti me:

2. Tu cognovisti sessionem meam, et resurrectionem meam.

3. Intellexisti cogitationes meas de longe: semitam meam, et funiculum meum investigasti.

4. Et omnes vias meas praevidisti: quia non est sermo in lingua mea.

5. Ecce Domine tu cognovisti omnia novissima, et antiqua: tu formasti me, et posuisti super me manum tuam.

1. Tot het einde. Een Psalm van David1).

O Heer, Gij toetst mij en Gij kent mij*);

2. Gij kent mijn zitten en mijn opstaan3).

3. Gij geeft van verre acht op mijne gedachten; mijn voetpad en mijn meetsnoer vorscht Gij uit4).

4. En mijne wegen altegader hebt Gij vooruitgezien; want er is geen woord op mijne tong....').

5. Zie, o Heer, Gij, Gij weet alles, het jongste en het oude; Gij, Gij hebt mij gemaakt en uwe hand op mij gelegd.

q Zie Ps. IV noot 1. Deze overheerlijke, doch ook moeilijke Psalm werd misschien door David gezongen, toen hij alle stammen onder zijnen schepter gebracht en allen aan Jehova onderworpen had, behalve eenige goddeloozen, die God weerstreefden en zijne voorzienigheid loochenden (v. 19 volg.). Met dezen wil de zanger dan ook niets gemeen hebben, zoodat God (v. 28—24) door niets belet wordt hem te zegenen. In den grondtekst komen enkele Aramaïsmen voor, die wellicht reeds ten tijde van David gebruikelijk Waren; enkelen meenen, dat de oorspronkelijke Psalm van David na de ballingschap eenigszins uitgebreid werd. Mógelijk hebben daarom eenige Grieksche handschriften behalve een Psalm van David ook nog: «Van Zacharias. In de verstrooiing».

a) Omdat Gij de Alwetende en de Alomtegenwoordige zijt. Bij het slot /v. 23—24) komt de Psalmist op deze hoofdgedachte terug, om, als vrucht zijner verheerlijking van Gods alwetendheid, diens leiding op den weg des heils af te smeeken.

') Al mijn doen en laten.

*) Van verre, d. i. uit den hemel (vgl. Ps. XXXII 13—16), of volgens anderen: lang te voren, vooraleer zij zijn opgekomen. Wat hier door meetsnoer wordt aangeduid, is moeilijk te bepalen; het Grieksche woord, waaraan het beantwoordt, kan een lengtemaat of eenen met het meetsnoer bepaalden weg beteekenen; voetpad en meetsnoer duiden dan den levensweg, d.i. de lotsbestemming of de levenswijze, van den Psalmist aan. Volgens sommigen beteekent het «bies» of «mat», nl. om er op te zitten, en zijn voetpad en «bies» hier in denzelfden zin gebezigd als opstaan en zitten in v. 2. In dien zin luidt wellicht ook de grondtekst: «mijn gaan en mijn liggen zift gij uit».

*) De Psalmist breekt hier plotseling af; vermoedelijk moet men aanvullen: dat Gij niet kent of vooruitziet; want (v. 5) Gij weet alles. Hebr.: «er is geen woord op mijne tong (v. 5) of zie, Heer, Gij kent het gansch. Van achteren en van voren houdt Gij mij ingesloten en Gij hebt uwe hand op mij liggen», d. i. Gij kent mijne gedachten en woorden en-hebt mij geheel en al in uwe macht.

Sluiten