Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Mirabilia facta est scientia tua ex me: confortata est, et non potero ad eam.

7. Quo ibo a spiritu tuo? et quo a facie tua fugiam?

8. Si ascendero in ccelum, tu illic es: ei descendero in infernum, ades. Arno» IX 2.

9. Si sumpsero pennas meas diluculo, et habitavero in extremis maris:

10. Etenim illuc manus tua deducet me: et tenebit me dextera tua.

11. Et dixi: Forsitan tenebrae conculcabunt me: et nox illuminatio mea in deliciis meis.

12. Quia tenebrae non obscurabuntur a te, et nox sicut dies illuminabitur: sicut tenebrae ejus, ita et lumen ejus.

13. Quia tu possedisti renes meos: suscepisti me de utero matris meae.

e) Te machtig en onbegrijpelijk is mij de kennis en wijsheid, met welke Gij mij (v. 5) gemaakt hebt en bestiert! Ik kan er niet bij, d. i. zij is voor mij onbereikbaar en onbegrijpelijk; immers (v- 7—13) Gij ziet en weet alles als de Alomtegenwoordige.

') Aan de beschouwing van Gods eindelooze kennis sluit zich thans natuurlijk die zijner alomtegenwoordigheid. Tevergeefs zou men zoeken aan God te ontsnappen; zijn geest doordringt de geheele schepping; zijn aangezicht of oog dringt door tot in de verborgenste schuilhoeken; Hij is met zijn wezen (v. 8) en met zijne almacht (v. 10) overal tegenwoordig, in den hemel en in de onderwereld (v. 8), in het oosten (*bij de morgenschemering^) en in het verre westen («aan de grenspalen der zee* v. 9).

8) De zin is overeenkomstig den grondtekst en de Septuagint: al zou ik mij bij de eerste morgenschemering in het oosten, opmaken om mij zoo snel als een zonnestraal te verplaatsen naar de westelijke grenzen der (Middellandsche) zee

6. Te wonderbaar is voor mij uwe kennis; overkrachtig is zij, en ik kan er niet bij6).

7. Waarheen zou ik gaan voor uwen geest, en waarheen vluchten voor uw aangezicht7)?

8. Zoo ik ten hemel opstijg, zijt Gij daar; daal ik ter onderwereld, Gij zijt er.

9. Verhef ik mijne wieken bij de morgenschemering en zet ik mij neder aan de grenspalen der zee8),

10. toch zal ook daarheen uwe hand nuj leiden, en houden zal mij uwe rechterhand9).

11. En zeg ik: Wellicht zal duisternis mij onderdrukken, ook de nacht is mijne verlichting in mijne geneugten10).

12. Want voor U is de duisternis niet donker en de nacht zoo helder als de dag; zooals zijne duisternis, zoo is zqn licht11).

13. Want Gij, Gij hebt mijne 'nieren in bezit; opgenomen hebt Gij mij van mijner moeder schoot af aan12).

*) Ik kan dien weg niet opgaan zonder uwe bijzondere leiding, en steeds blijf ik ten volle aan uwe rechterhand onderworpen.

,0) De zin is wellicht: en zou ik willen, dat mij de duisternis voor uw oog geheel deed verdwijnen, dan hielp ook dat niet; want ook de nacht omstraalt mij met licht, terwijl ik mij overgeef aan geneugten; want voor U enz. v. 12. Sommigen leggen v._ 11 uit: Zeg ik: wellicht verbergt mij de duisternis, en moge daarom de nacht het eenige licht bij mijne geneugten zijn, wat zal mij dat baten ? Want voor Uenz. Hebr.: «En zeide ik: volle duisternis omhulle mij, en nacht zij rondom mij het licht, ook (v. 12) is voor U de duisternis niet donker, en de nacht is helder als de dag».

") Zooals de duisternis van den nacht voor U is, zoo is ook het licht van den dag; m. a. w. dag en nacht zijn voor U gelijk, en zoo is U niets verborgen, zelfs niet de geheimste gedachten van den mensch; want (v. 13) enz.

") Sommigen meenen, dat dit vers dient verbonden te worden met v. 1.

IV

Sluiten