Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

I

19. Si occideris Deus peccatores: viri sanguinum declinate a me:

20. Quia dicitis in cogitatione: acoipient in vanitate civitates tuas.

21. Nonne qui oderunt te Domine, oderam: et super inimicos tuos tabescebam?

22. Perfecto odio oderam illos: et inimici facti sunt mihi.

23. Proba me Deus, et scito cor meum: interroga me, et cognosce semitas meas.

24. Et vide, si via iniquitatis in me est: et deduc me in via aeterna.

dag en nacht zou bezig blijven en dan 's morgens nog voor U zou staan en tellen.

ls) In zijne bewondering van Gods grootheid verontwaardigt de Psalmist zich er over, dat de zondaars Hem beleedigen; hij yri\ niets met hen gemeen hebben en roept Gods toorn over hen af. Zie Psalm V noot 6 en 8.

19) De zin van dit uitermate duister vers is, naar de Vulgaat, wellicht: want God lasterend zegt gij bij u zeiven: De vromen hebben uwe steden wel in bezit, o God, maar zij zullen ze niet behouden.—Volgens sommigen: gij zegt, God ten hoon: voor niets acht men, o God, uwe steden, d. i. waarin uwe vromen wonen. De zin van den grondtekst is misschien: die uwen heiligen naam, o God, tot euveldaden bezigen en hem ijdel gebruiken, uwe vijanden.

*°) Reden, waarom hij in v. 19 Gods

19. O, of Gij, o God, de zondaars dooddet! Mannen der bloedvergieting, wijkt van mij18)!

20. Want gij zegt in de gedachte: Zij verkrijgen uwe steden tevergeefs19).

21. Haat ik niet die U haten, o God, en kwijn ik niet weg om uwe vijanden20) ?

22. Met volkomen afkeer haat ik hen, en vijanden zqn zij voor mij.

23. Beproef mij, God, en ken mijn hart; onderzoek mij en erken mijne paden21),

24. en zie of er een weg van ongerechtigheid bij mij is, en leid mij op eenen eeuwigen weg.

Straf over hen afriep: het zijn Gods vijanden, wier misdaden tegen God hem diep grieven.

") Een beroep van den Psalmist op de reinheid zijner bedoelingen (Hebr.: «en ken mijne gedachten») en zijner handelingen (v. 24) om God te bewegen, dat Hij hem moge leiden op eenen eeuwigen weg, d. i. die niet uitloopt op verderf (vgl. Ps. I 6), maar hem leidt tot het eeuwige heil.

— Wat David, het profetisch beeld van Christus, in dezen Psalm naar den letterlijken zin. van zich zeiven getuigt, wordt door den H. Hilarius en Dionynysius Garthusianus naar den geestelijken zin in den mond van Christus gelegd) naar den H. Augustinus heeft het in dezen laatsten zin betrekking deels op Christus, deels op zijne geestelijke ledematen. Aldus ook o. a. Lindanus.

Sluiten