Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derio meo peccatori: cogitaverunt contra me, ne derelinquas me, ne forte exaltentur.

10. Caput circuitus eorum: labor labiorum ipsorum operiet eos.

11. Cadent super eos carbones, in ignem dejicies eos: in miseriis non subsistent.

12. Vir linguosus non dirigetur in terra: virum injustum mala capient in interitu.

13. Cognovi quia faciet Dominus judicium inopis: et vindietam pauperum.

14. Verumtamen justi confitebuntur nomini tuo: et habitabunt recti cum vultu tuo.

mijn verlangen aan den zondaar over! Zij smeden plannen tegen mij. Verlaat mij niet, opdat zij zich wellicht niet verheffen7).

10. Het hoofd hunner omsingeling — de kwelling hunner lippen zal hen overdekken8).

11. Kolen zullen op hen vallen; in het vuur zult Gij hen storten ; in ellenden zullen zij geen stand houden9).

12. Een kwaadspreker heeft geenen voorspoed op de aarde; den ongerechten man achterhalen rampen tot verderf10).

13. Ik weet, dat God het recht van den behoeftige zal oefenen en de wraak der armen11).

14. Maar de rechtvaardigen zullen uwen naam verheerlijken, en de gerechten zullen wonen voor uw aanschijn11).

') Hebr. waarschijnlijk: «sta het ver- | langen des zondaars niet toe; laat hun plan niet gelukken; zij zouden zich verheffen.»

8) Thans verkondigt de Psalmist (v. 10—12) de vergelding, die God aan zijne vijanden en (v. 13—14) de bescherming, die Hij hem en den vromen zal doen ten deel vallen. Naar den grondtekst kan door «caput» het hoofd, d. i. de aanvoerder (Saül of Doëg) of het hoofd in den eigenlijken zin, de schedel, dér belagers, die David omsingelen, bedoeld worden; de zin is wellicht: wat den aanvoerder mijner vijanden en allen, die mij omsingelen, aangaat, op hen zal de kwelling nederkomen, welke zij mij door den laster hunner lippen willen berokkenen. Mogelijk ook: hunne geheele omsingeling, d. i. al hunne aanslagen en vervolgingen en al het kwaad, door hunne lastertong teweeggebracht, vallen op hen terug (zie Psalm VII noot 16).

*) Zij zullen ellendig tot val geraken. Hebr. waarschijnlijk: «gloeiende kolen (d. i. bliksems) mogen op hen neergeslingerd worden; laat hen in het vuur vallen, in afgronden (in waterkolken),

dat kb (daaruit) nimmer opstaan»; een drievoudig beeld van het lijden, waarmede de goddeloozen door God mogen gestraft worden.

") Mogelijk ook: vangen (drijven) rampen in eenen verderf elii ken strik. Vgl. Psalm IX noot 11.

*q Ik weet, nl. bij ondervinding, dat God als beschermer en wreker van den behoeftige en de armen, d. i. deivervolgde en onderdrukte gerechten (v. 14), zal optreden, en dan zullen dezen, dankbaar voor die hulp, God verheerlijken.

") Uwe gunst genieten. Vgl. Psalm XIV noot 1.

— De HH. Augustinus, Hiëronymus, Chrysostomus en vooral de H. HHarius zien in dezen Psalm een gebed, waardoor Christus (v. 2—9) Gods hulp inroept tegen den duivel en zijne handlangers, die Hem (en zijne ledematen) belasteren en bestrijden; maar zij zullen ook (v. 10—12) juist daarom in het eeuwige vuur hunne straf ontvangen, terwijl de vervolgde gerechtigen (v. 13—14) bevrijd en met de eeuwige zaligheid zullen beloond worden. Aldus ook Bellarminus en Lindanus.

Sluiten