Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13. Regnum tuum regnum omnium saeculorum: et dominatio tua in omni generatione et generationem.

Fidelis Dominus in omnibus verbis suis: et sanctus in omnibus operibus suis.

14. Allevat Dominus omnes, qui corruunt: et erigit omnes elisos.

15. Oculi omnium in te sperant Domine: et tu das escam illorum in tempore opportuno.

16. Aperis tu manum tuam: et imples omne animal benedictione.

17. Justus Dominus in omnibus viis suis: et sanctus in omnibus operibus suis.

18. Prope est Dominus omnibus invocantibus eum: omnibus invocantdbus eum in veritate.

19. Voluntatem timentium se faciet, et deprecationem eorum exaudiet: et salvos faciet eos.

20. Custodit Dominus omnes diligentes se: et omnes peccatores disperdet.

21. L aud ationem Domini loquetur os meum: et benedicat omnis caro nomini sanoto ejus in saeculum, et in saeculum saeculi.

I 13. Uw rijk is een rijk van alle i eeuwen, en uwe heerschappij duurt in alle geslachten en geslachten.

Getrouw is de Heer in al zijne woorden en heilig in al zijne werken10).

14. De Heer ondersteunt allen, die nederstortèn, en alle neergeslagenen richt Hij op11).

15. De oogen van allen hopen op I U, o Heer12), en Gij schenkt hunne

spijs ten rechten tijde.

16. Gij opent uwe hand, en Gq i verzadigt al wat leeft met zegen13).

17. Rechtvaardig is de Heer op al zijne wegen14) en heilig in al zijne werken.

18. De Heer is nabij voor allen, die Hem aanroepen, voor allen, die Hem aanroepen in waarheid15).

19. Den wil van die Hem vreezen doet Hij16), en hun gesmeek verhoort Hij en Hij redt hen.

20. De Heer bewaart allen, die Hem beminnen, en alle zondaars roeit Hij uit.

21. Den lof des Heeren zal mijn mond verkondigen; en prijze alle

I vleesch zqnen heiligen naam, altoos I en immer en in eeuwigheid!

God in zijn rijk ten toon gespreid, dient 1 niet alleen aan de Israëlieten, maar ook (v. 12) aan alle volken te worden bekend gemaakt; immers het Israëlietische rijk had zijne beteekenis en zijn gewicht voor alle volken; het zou eens I opgaan in een ruimer Godsrijk en in I dien zin (v. 13) een rijk zijn van alle eeuwen.

,0) Dit ontbreekt in den grondtekst.

") God helpt allen, die gevaar loopen, en beurt de bedroefden op door zijnen troost en zijne hulp, indien Hij het voor zijne eer en hun heil nuttig oordeelt.

") Allen zien uit naar spijs, die hun door uwe almacht en vaderlijke zorg i moet verschaft worden, en zij doen j het niet tevergeefs, want Gij schenkt ;

eD,q Zij ontvangen in overvloed niet j alleen spijs, maar al wat hun tot ge¬

zondheid en heil verstrekt.

") In al zijne plannen en handelingen.

*>) Nabij, nl. met zqne hulp, mits zij hem aanroepen in waarheid, d. i. oprechtheid, terwijl zij zijne geboden onderhouden. Vgl. I Joan. I 4.

**) Namelijk als zij vragen wat met zijne eer en zijnen wil overeenkomt en derhalve hun en anderen tot heil verstrekt.

— De HH. Hilarius en Augustinus lezen als opschrift boven dezen Psalm «lofzang op David»; door dezen zien zq" Christus aangeduid; immers Hij is oneindig prijzenswaardig om zijne grootheid en goedertierenheid, zijne werken en wonderen (v. 1—9), Hij is de roemrijke en machtige Koning, wiens eer de heilige apostelen (v. 10—12) alom verkondigen (aldus o. a. Dionysms Carthusianus), die (v. 13) eeuwig regeert

Sluiten