Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lum, facit judicium injuriam patientibus: dat escam esurientibus. Dominus solvit compeditos:

8. Dominus illuminat csecos. Dominus erigit elisos, Dominus

diligit jus tos.

9. Dominus custodit advenas, pupillum, et viduam suscipiet: et vias peccatorum disperdet.

10. Regnabit Dominus in ssecula Deus tuus Sion, in generationem et generationem.

heid, recht doet aan die onrecht lijden, spijs geeft aan die hongeren. De Heer ontboeit geboeiden6),

8. de Heer maakt blinden ziende, de Heer richt neergeslagenen op,

de Heer bemint gerechtigen,

9. de Heer behoedt aankomelingen; wees en weduwe ondersteunt Hij, en Hij verderft de wegen der zondaars6).

10. Heerschen zal de Heer in eeuwigheid, uw God, o Sion, van geslacht tot geslacht7).

PSALMUS CXLVI. PSALM CXLVI.

Lof zij aan IsraëTs almachtigen Helper!

Eere zij Ood fv. 1), die Jerusalem opbouwt, de ballingen verzamelt, den verdrukten heil schenkt (v. 2—3), die alwetend, almachtig, oneindig wijs en rechtvaardig is (v. 4—6). Hem zij eere (v. 7)! Htj zorgt voor menschen en dieren fv. 8—9). Hij verleent hulp, niet aan de sterken, maar aan die Hem vreezen en op Hem betrouwen fv. 10—11).

1. Alleluia. I 1. Alleluia*).

Laudate Dominum quoniam bonus j Looft den Heer, want goed is

•) Andere reden om op God te vertrouwen : Hij is trouw in het vervullen zijner beloften, in de handhaving van het recht en in het verleenen van hulp aan de ongelukkigen. Waarschijnlijk (zie noot 1) wordt hier en in v. 8—9 gezinspeeld op de verlossing uit de nooden der ballingschap.

•) HQ verijdelt hunne booze plannen en aanslagen of doet ze uitloopen op het eigen verderf der boozen.

q Een tegenstelling van v. 3; — heerscht God in eeuwigheid en wel als God van Sion, dan kan zqne hulp ook niet ontvallen aan den waren Israëliet, die ze inroept en verdient.

— De H. Hilarius meent, dat de Psalmist hier het hemelsche Jerusalem op het oog heeft, waarvan het aardsche Sion de afschaduwing was en waarheen de mensch zich dient te verheffen, steunende, niet op bloot menschelijke hulpmiddelen, maar op de verdiensten, de beloften en de hulp van Christus. Overigens wat in dezen Psalm omtrent

Gods almacht, trouw, gerechtigheid en barmhartigheid gezegd wordt, kan, ook naar de Tetter, van den Godmensch verstaan worden: immers Christus bezit naar zijne goddelijke natuur genoemde goddelijke eigenschappen; tijdens zqn sterfelijk leven nam Hij op zichtbare wijze de lichamelijke en geestelijke ellenden weg en verloste Hij degenen, die naar lichaam of ziel de geboeiden des duivels waren (vgl. v. 7 en Luc. XIII 16). Zoo vervulde Hij de gelijkluidende voorspellingen van Isaias (XXXV 5 en LXI 1) en vestigde Hii (vgl. v. 10 en Luc. X 32—33) het Rijk zijner strijdende en zegepralende Kerk, die duren zal van geslacht tot geslacht en in eeuwigheid.

*) Deze Psalm maakt in den grondtekst één geheel uit met den volgenden en behelst dan een drievoudige aansporing (v. 1, 7, 12) tot Gods lof. In de Vulgaat zijn de verzen van Ps. CXLVI en CXIcVli doorloopend genummerd.

Sluiten