Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10. Non in fortitudine equi voluntatem habebit: nee in tibiis viri beneplacitum erit ei.

11. Beneplacitum est Domino super timentes eum: et in eis, qui sperant super misericordia ejus. I

10. Niet aan de sterkte des paards heeft Hij welgevallen, en niet aan de beenen des mans heeft Hij welbehagen10).

11. Welbehagen heeft de Heer aan die Hem vreezen, en aan hen, die

; hopen op zijne barmhartigheid.

PSALMUS CXLVII.

PSALM CXLVII.

Lof zij aan Israël's machtigen God!

Aan Sion's God komt lof toe (v. 12), want Hij schonk veiligheid en zegen aan zijne stad fv. 13—14); dien ommekeer kon Hij bewerken, want Hij is almachtig (v. 15—18); ook verrijkte Hij slechts Israël met den schat zijner openbaring (v. 19—20).

Alleluia.

12. Lauda Jerusalem Dominum; lauda Deum tuum Sion.

13. Quoniam confortavit seras portarum tuarum: benedixit filiis tuis in te.

14. Qui posuit fines tuos pacem: et adipe frumenti satiat te.

Alleluia1).

12. Loof, Jerusalem, den Heer, loof uwen God, o Sion2)!

13. Want versterkt heeft Hij de grendels uwer poorten, gezegend heeft Hij uwe kinderen binnen u3).

14. Hij maakt uwe landpalen vredig en Hij verzadigt u met het vet der tarwe*).

alle, ook voor de geringste schepselen. De Psalmist drukt zich hier uit naar de opvatting zijner volksgenooten, die de jonge raven als weezen beschouwden, welke door hunne ouders vroegtijdig verlaten werden en dus rechtstreeks tot God moesten roepen om voedsel. Zoo zorgt God ook voor de hulpeloozen onder de menschen, indien zij zich tot Hem richten.

") De zin is: Om Gods welwillendheid en bqstand te verwerven is het bezit van een sterk paard of van sterke beenen noch vereischt, noch voldoende. Of wel meer algemeen: God verleent zijne hulp niet om wille van de sterkte des paards, d. i. niet aan hen, die kunnen bogen op eene sterke ruiterij, noch om wille van de beenen des mans, d. i. niet aan hen, die hunne kracht vinden in hun voetvolk, maar (v. 11) aan die Hem vreezen en op Hem hopen. Zoo deed Hij het met de teruggevoerde ballingen.

— De HH. Hilarius en Augustinus en na hen Bellarminus en anderen zien

in v. 2 de door Christus opgebouwde Kerk aangeduid, hetzij de strijdende, hier op aarde, hetzij de zegepralende daarboven; in die Kerk zal Hij eens alle verstrooiden vergaderen. Vgl. Rom. XI 25—26.

') De Septuagint heeft bovendien: «van Aggeüs en Zacharias». Zie Ps. CXLVI noot 1.

q Hoe de Heer zich als God van Sion geopenbaard heeft blijkt uit hetgeen volgt.

") Door zijne hulp is de stad opnieuw van poorten voorzien (vgl. TI Esdr. III) en versterkt, en zijn zegen heeft de kinderen van Jerusalem doen vermeerderen.

*) Hij beveiligde u tegen ue Samaritanen en andere vijandig gezinde naburen ; het wederom bebouwde en door den Heer gezegende land brengt het vet der tarwe, d. i. overvloed van uitmuntende tarwe, en andere spijzen voort om u te verzadigen.

Sluiten