Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALMUS CXLIX. PSALM CXLIX.

Israël prijze zijnen God en Koning!

Israël jubels en prijze zijnen Schepper (v. 1—3), want het wordt door Hem bemind en met heil, vreugde, eer en kracht gezegend (v. 4—6) om zijne gerichten tegen de heidenen te voltrekken (v. 7—9).

1. Alleluia.

Cantate Domino canticum novum: laus ejus in ecclesia sanctorum.

2. Laetetur Israël in eo, qui fecit eum: et filii Sion exsultent in rege suo.

8. Laudent nomen ejus in choro: in tympano, et psalterio psaliant ei:

4. Quia beneplacitum est Domino in populo suo: et exaltabit mansuetos in salutem.

5. Exsultabunt sancti in gloria: laetabuntur in cubilibus suis.

6. Exaltationes Dei in gutture eorum: et gladii ancipites in manibus eorum:

1. Alleluia1)!

Zingt den Heer een nieuw gezang! Zqne lofspraak zij in de vergadering der heiligen2)!

2. Dat Israël zich verblijde over Hem, die het gemaakt heeft, en dat Sion's zonen jubelen over hunnen Koning3)!

3. Dat zij zijnen naam verheerlijken in een koor' Dat zij Hem op pauk en psalter prijzen4)!

4. Want de Heer neeft welgevallen aan lijn volk, en Hij verheft zachtmoedigen tot heil5).

5. De heiligen jubelen in eere, zij verheugen zich op hunne legersteden6).

6. Gods lof tuigingen zijn in hunne keel, en tweesnijdende zwaarden in hunne handen7),

q De aanleiding tot dezen Psalm is niet met zekerheid te bepalen; enkelen meenen, dat hij dagteekent van den tnd ven David, nl. toen deze Sion vermeesterd had; anderen, dat hij zijne aanleiding vond in Gods hulp, ondervonden gedurende het herbouwen van den tempel en het bestrijden der vijandig gezinde naburen. VgL Ps. CXLVIII noot 1 en XCV.

') Zie Ps. XCV noot 1. De heiligen zijn hier dezelfden als in Ps. CXLVIII

14. , , ,

*) God schiep niet alleen ieder m het bijzonder, maar Hij maakte Israël daarenboven tot een volk, en wel tot een volk, waarvan Hij de Koning was.

*) In een koor, d. L in eenen rondzang of dans. Plechtige feesten werden, naar het schijnt, somtijds opgeluisterd door reien van dansers en danseressen (Vgl. I Reg. XVIH 6 en II Reg. VI16), terwijl daarbij op de pauk of tamboerijn geslagen werd. VgL Jer. XXXI 4. Sommigen vertalen het Hebr. door: op de fluit.

*) Gods welgevallen is zijne vrijwillige liefde en goedheid, die Hem aanspoort om de menschen met natuurlijke en bovennatuurlijke gaven te verrijken en de zachtmoedigen, d. i. hen, die ootmoedig en van harte Gods genaden aannemen en gebruiken, tot heil en eere te verheffen. Van dat welgevallen gaf de Heer aan zijn volk blijken door de verlossing uit de ballingschap en den daarna verleenden bijstand. Hebr.: «Hij tooit de bedrukten met heil».

e) De heiligen zijn hier dezelfden als de zachtmoedigen van v. 4.-Thans zijn de aan God toegewijde Israëlieten door Hem tot eer gebracht en, bevrijd van de vroegere kwellingen en droefenis (vgl. Ps. IV 5), verheugen zij zich in rust op hunne legersteden. Volgens sommigen: zij verheugen zich dag en nacht, of: in het openbaar en in hunne huizen.

q Niet alleen hebben zij thans reden om God te prijzen, die hen aan de kwellingen der heidenen onttrok, maar God gaf hun ook tweesnijdende zwaar-

Sluiten