Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woorden; in het eer3te vers met Parabolae, Gelijkenissen. De Zeventigen hebben op beide plaatsen: Gelijkenissen. Geene van deze vertalingen geeft den juisten zin van Misle terug. In een groot gedeelte van het Boek komen zeer weinig gelijkenissen voor, en eigenlijke, echte spreekwoorden ontbreken bijna geheel. Voor Misle is Spreuken nog de beste vertaling. Spreuken zijn korte, bondige, puntige gezegden, zinrijk van inhoud, vernuftig van vorm. De inhoud beweegt zich op zedenkundig gebied. De vorm is berekend op het doel: het aantrekkelijk maken der zedelijke waarheid door het scherpen van het op zoeken belust verstand; het vasthouden door het geheugen van de korte, scherpe bewoordingen; het bewaard blijven in de fantasie door het treffende beeld, de tastbare gelijkenis. In zekeren zin zijn zij «gevleugelde woorden», die moeten doordringen in alle hoofden en harten. Weinig woorden, veel zin is hier dus het eerste vereischte. Over deze Spreuken valt nog iets op te merken. In schijnbaar eenvoudigen vorm ligt dikwijls eene verheven waarheid -verscholen. Met eenige fraaie vergelijkingen heeft de heilige Hiëronymus dit uitgesproken. Hij spreekt van: het goud in den grond, de pit in de noot, de kostelijke vrucht in de ruwe huls.

In de Inleiding op het Boek der Psalmen, blz. 15 volg., is reeds gezegd, wat hier verder over den dichterlijken vorm, voornamelijk over het parallelisme, te zeggen zou zijn.

Dit Boek der Spreuken is een boek van leering tot wijsheid en tucht Zoo verklaart het de schrijver 12—6 «opdat men leere wijsheid en tucht* enz. De wijsheid is het beginsel, de tucht de openbaring in het leven. Het goede, heldere begrip der zedelijke waarheid moet de regel zijn van de ordelijke, stichtelijke, doelmatige daad. De wijsheid, hier geleerd en aanbevolen, is niet van louter menschelijken aard, niet alleen de vrucht van eigen ervaring, zelfonderzoek en zelfbespiegeling. Zij is niet «de wijsheid dezer wereld». Zij is van hooger orde. Zij komt van God en voert tot God. Haar grondslag is de vreeze des Heeren, een grondslag, die overal zichtbaar is. Deze wijsheid doet den mensch kennen zijn oorsprong en zijne bestemming, zijne verhouding tot God en den naaste, zijne plaats in de wereld, zijne betrekking tot haar. Zij geeft niet alleen gedachten, maar zij leert de daad. Zij eischt en kweekt aan het heilig verlangen, het ernstig streven om overeenkomstig de verkregen kennis God «te dienen, te beminnen en Hem hiernamaals eeuwig te aanschouwen». Reeds voor deze wereld toont zij den weg tot het ware geluk en in een beter leven voert zij tot de eeuwige zaligheid. Daarom is dan ook wijsheid, godsvrucht, de hoogste deugd. De wijzeis de deugdzame, de dwaze de zondaar, de goddelooze. — Al de benamingen aan de wijsheid gegeven duiden dit karakter aan. Talrijk zijn zij, ook in de taal onzer Vulgata. Voor het verschillend gebruik kan men somwijlen eene bijzondere reden vinden; zoo is bijv. sapienüa de naam voor den inhoud der wijsheid, consilium de aanduiding van den vorm, intellectus het goed begrip van het geleerde, prudentia de eerste bijzondere deugd, waarin de wijsheid zich openbaart, enz.; maar meestal is er geen wezenlijk verschil en worden de verschillende benamingen zonder onderscheid met elkander verwisseld.

Sluiten