Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zondering alleen van XIX 27. Derhalve mag dit deel beschouwd worden als de narede op de eerste verzameling van de Spreuken van Salomon.

Het vierde deel (XXV 1 —XXIX 27) onder het opschrift: « Ook dit zijn Spreuken van Salomon», bevat eene nieuwe verzameling van Spreuken van Salomon, bijeengebracht door de mannen van Koning Ezechias. Deze Spreuken vertoonen, wat vorm en inhoud betreft, eene groote overeenkomst met die van het tweede deel. Bijna alle zijn tweeledig, hoewel de gedachte somwijlen in twee achtereenvolgende verzen wordt ontwikkeld. Ook zijn zij vooral in hoofst. XXV en XXVI zeer rijk aan beelden en gelijkenissen. De Spreuken zijn hier dikwerf pittiger van inhoud, dieper van zin, bevatten minder de tegenstelling tusschen rechtvaardigen en goddeloozen en geven lessen van practische levenswijsheid voor den mensch, zooals hij zich beweegt in huisgezin en maatschappij.

Het vijfde deel (XXX 1—XXXI 31) bevat drie kleinere verzamelingen van Spreuken, namelijk 1° Woorden van Agur, den zoon van Joke (naar den Hebreeuwschen tekst). De Schrijver betuigt zijn onvermogen om God in zijne oneindige grootheid te kennen en bekend te maken, bidt om afwering van ijdelheid en*leugentaal, van armoede en rijkdom, en besluit met eenige eigenaardige, kunstig gevormde getalspreuken (XXX 1—33). — 2° Woorden van Koning Lamuel, d. i. vermaningen aan Lamuel door zijne moeder gegeven om hem te behoeden voor de verleiding der vrouwen en der onmatigheid, en om hem aan te sporen tot medelijden en rechtvaardigheid jegens armen en verdrukten (XXXI 1—9). — 3° Een alphabetisch lied, waarin de lof der wakkere huisvrouw wordt bezongen (XXXI 10—31).

Salomon, de wijze koning van Israël, is de schrijver van het Boek der Spreuken, althans van verreweg het grootste gedeelte. Tot driemaal toe wordt zijn naam in de opschriften aangegeven, en er is geene enkele wettige reden om de echtheid of de beteekenis dier opschriften in twijfel te trekken. Of de opschriften I 1 en X 1 vermeld, ook op de beide afdeelingen van het derde deel betrekking hebben, kan betwijfeld worden; evenwel zijn er geen afdoende redenen om de daarin voorkomende Spreuken aan Salomon te ontzeggen, gelijk in de aanteekeningen zal worden aangetoond. De mannen van Ezechias, het opschrift Ook dit zijn Spreuken van Salomon plaatsend boven hunne verzameling, hebben blijkbaar alle voorafgaande Spreuken als van Salomon afkomstig beschouwd.

Te recht mag echter de vraag gesteld worden, wie de Schrijver is van het dertigste hoofdstuk. De HH. Vaders, die de vertaling der LXX gebruikten, hebben dienaangaande geen twijfel gekend. Zij misten in die vertaling het opschrift, dat wij in den tegenwoordigen Hebreeuwschen tekst alsook in onze Vulgata bezitten. In het Hebreeuwsch luidt het opschrift: Woorden van Agur, den zoon van Joke. De H. Hiëronymus heeft de woorden Agur en Joke niet als persoonsnamen opgevat, maar blijkbaar als symbolische benamingen van Salomon en David en daarom het opschrift vertaald met: Verba Congregantis, filii Vomentis. In volstrekten zin kan men ongetwijfeld onder het woord Congregans eene aanduiding zien van Salomon, als den man, die vele spreuken ver-

Sluiten