Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Liber Proverbiorum,

QUEM HEBRiEI MISLE APPELLANT.

CAPUT L HOOFDSTUK t

Schrijver, doel en nut van het Boek (v. 1—6); de vreeze des Heer en het beginsel der wijsheid (v, 7); nut van ouderlijk onderricht (ir, 8—19); de Wijsheid, sprekend ingevoerd, noodigt allen uit om te luisteren naar hare lessen, wier verwaarloozing verderf, wier opvolging vrede en heil brengt (v. 20—31).

ARABOLJE Salomonis, filii David, regis Israël.

2. Ad sciendam sapientiam, et disciplinam:

3. Ad intelligenda verba prudentiae': et suscipiendam eruditionem doctrinae, justitiam, et judicium, et aequitatem:

4. Ut detur parvulis astutia, adolescenti scientia, et intellectus.

5. Audiens sapiens, sapientior erit: et intelligens, gubernacula possidebit.

*) Spreuken zie Inleiding bli. 10.

*) Sapientia (wijsheid) en disciplina (tucht) evenals prudentia, scientia, intellectus enz. worden in dit Boek meestal zonder merkbaar verschil in beteekenis gebruikt in den zin van ware deugd en godsvrucht. Waar zij echter hier als onderscheiden begrippen naast elkander worden geplaatst, is wijsheid de kennis der verhouding, waarin de mensch staat tegenover God, zijn Schepper en laatste doel, de kennis van 'amenschen plichten tegenover God, den naaste en zich zeiven; tucht is dan het middel om met behulp van lessen, berispingen enz. door het beteugelen der kwade neigingen, het overwinnen der moeilijkheden enz. tot een deugdzaam leven te geraken.

PREUKEN van Salomon, den zoon van David, den koning van Israël1), 2. opdat men leere wqsheid en tucht*),

3. opdat men begrijpe woorden van wijsheid3), en verkrijge tot ver-

| standigheid opleidende tucht: geI rechtigheid en recht en billijkheid;

4. opdat den kleinen gegeven worde schranderheid, dén jongeling kennis en verstand.

5. De wijze, die er naar luistert, zal toenemen in wijsheid, en de verstandige zal het roer in handen

: weten te houden4).

*) Op wijsheid v. 2 slaat terug woori den van wijsheid, lessen en onderrichtingen, die leeren onderscheiden tusachen goed en kwaad; op tucht v. 2 slaat terug tot verstandigheid opleij dende tucht, die den mensch er toe I brengt het kwade te vermijden en het goede te betrachten. Te zamen brengen zij de volle, ware gerechtigheid, die daarin bestaat, dat men met betrekking tot God, den naaste en zichzelven alles doet, wat recht en billijkheid vorderen. *) De spreuken zijn heilzaam en nut; tig allereerst voor de kleinen, v. 4, d. i. de onervarenen, om hunne eerste schreden te geleiden op het pad der deugd; maar verder ook voor de wijzen, v. 5, I om hen te leeren veilig zich zeiven en anderen te besturen, het roer te hou-

Sluiten