Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meam: en proferam vobis spiritum meum, et ostendam vobis verba mea.

24. Quia vocavi, et renuistis: extendi manum meam, et non fait qui aspiceret. Is. LXV12 et LVI4; Jer. VII13.

25. Despexistis omne consilium meum, et increpationes meas neglexistis.

26. Ego quoque in interitu vestro ridebo, et subsannabo, cum vobis id, quod timebatis, advenerit.

27. Cum irruerit repentina calamitas, et interitus quasi tempestas ingruerit: quando venerit super vos tribulatio, et angustia:

28. Tune invocabunt me, et non exaudiam: mane consurgent: et non invenient me:

29. Eo quod exosam habuerint disciplinam, et timorem Domini non susceperint,

30. Nee acquieverint consilio meo, et detraxerint universae correptioni mese.

31. Comedent igitur fructus viae suae, suisque consilüs saturabuntur.

32. Aversio parvulorum interficiet eos, et prosperitas stultorum perdet illos.

33. Qui autem me audierit, absque terrore requiescet, et abundantia perf r uetur, timore malorum sublato.

eerste aankondiging van de uitstorting des H. Geestes, voorspeld door den profeet Joel (II 28) en herhaaldelijk beloofd door Christus: Joan. XIV. XV, XVI.

") De Wijsheid heeft wachtend uitgezien of hare uitnoodiging werd aanvaard ; maar waar deze versmaad wordt, volgt nu v. 26 volg. de bedreiging van straf.

ping; zie, Ik zal mijnen geest over u uitstorten en mijne woorden aan u bekend maken.

24. Omdat Ik geroepen heb, en gij niet hebt willen luisteren; omdat Ik mijne hand heb uitgestrekt en niemand er acht op heeft geslagen17);

25. omdat gij al mijne raadgevingen versmaad en mijne terechtwijzingen veronachtzaamd hebt,

26. zal ook Ik lachen in uwen oni dergang, en spotten, als u hetgeen

gij vreesdet overkomt18).

27. Als onverwacht onheil dreigend nadert, en het verderf, eenen stormwind gelijk, aanrukt; als over u komen nood en angst,

28. dan zullen zij Mij aanroepen, maar Ik zal hen niet verhooren; 's morgens vroeg zullen zij opwaken, maar zij zullen Mij niet vinden;

29. omdat zij de tucht hebben gehaat en de vreeze des Heeren niet hebben aanvaard,

30. omdat zij mijnen raad niet hebben ingevolgd, en gespot hebben met al mijne terechtwijzingen.

31. Eten zullen zij derhalve de vruchten van hunnen weg19), en van hunne raadslagen zullen zij verzadigd worden.

32. De afkeerigheid der kleinen brengt hun den dood, en de voorspoed der dwazen stort hen in het verderf20).

33. Maar die Mij aanhoort, zal wonen in onverstoorde rust, en overvloed genieten zonder vrees voor eenig onheil.

") Sprak de Wqsheid v. 23 en 24 als Verlosser, hier spreekt Zij als Rechter.

") Weg, d. i. levenswandel.

M) De afkeerigheid der kleinen, d. i. hunne kinderachtige kieskeurigheid, waardoor zij afkeerig zijn van de wijsheid en hare lessen, brengt den dood; de voorspoed der dwazen, hunne zelfvoldaanheid, stort hen in het verderf.

Sluiten