Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPDT II. HOOFDSTUK II.

Vermaning om mei allen ijver de wijsheid te zoeken (v. 1—4), dan zal God haar geven en. door haar geleid (v. 6—11), zal de rechtvaardige behoed worden tegen de verleiding in het algemeen (v. IS—15), tegen de verleiding der vrouw in het bijzonder (v. 16—19), en hij zal heil, de goddelooze verderf vinden (v. 20—22).

1. Fili mi, si susceperis sermones I 1. Mijn zoon1), als gij mijne woormeos, et mandata mea absconderis den aanneemt en mijne geboden penes te, wegbergt bq u,

2. Ut audiat sapientiam auris tna: i 2. zoodat uw oor luistert naar de inclina cor tuum ad cognoscendam wqsheid, neig dan uw hart om de prudentiam. verstandigheid te kennen*).

3. Si enim sapientiam invocaveris, 3. Want indien gij de wqsheid et inclinaveris cor tuum prudentiae: aanroept en uw hart neigt tot de

i verstandigheid,

4. Si qusesieris eam quasi peen- 4. indien gij haar zoekt als zilver niam, et sicut thesauros effoderis en als een schat haar ODdelft, illam:

5. Tune intelliges timorem Domini, 5. dan zult gij de vreeze des Heeet scientiam Dei invenies: ren verstaan3) en de kennis Gods

I vinden.

6. Quia Dominus dat sapientiam: 6. Want de Heer is het, die wijset ex ore ejus Drudentia, et scientia. heid geeft*), en uit zqnen mond

komen kennis en verstand.

7. Custodiet rectorum salutem, et 7. Hij bewaart heil voor de geproteget gradientes simpliciter, rechten, en Hij beschermt hen, die

wandelen in onschuld5),

8. Servans semitas justitiae, etvias 8. terwijl Hij beveiligt de paden sanctornm custodiens. der gerechtigheid en de wegen der

heiligen bewaakt.

9. Tune intelliges justitiam, et ju- | 9. Dan zult gij verstaan gerech-

*■) Salomon neemt zelf weer het woord om de wijsheid aan te bevelen. Dit hoofdstuk is geheel symmetrisch verdeeld in twee deelen, terwijl elk deel bestaat uit twee strophen van vier verzen en eene strophe van 3 verzen (1—4, 5—8, 9—11), (12—15,16—19, 20—22).

*) In het Hebr. hangt het tweede verslid ook af van zoodot: «uw hart zich neigt tot de verstandigheid»; terwijl daar ook v. 3 niet redengevend, maar versterkend aan v. 2 wordt toegevoegd: «ja, als gij de wijsheid aanroept, tot de verstandigheid uwe stem verheft». — Voor het verkrijgen der wijsheid worden hier drie voorwaarden gesteld: men moet niet slechts uitwendig aandachtig luisteren naar de lessen

der wijsheid, maar die ook wegbergen, gretig opnemen in het hart v. 1 en 2; men moet met aandrang bidden om de wqsheid v. 3, en met ijver en volharding haar als een verborgen schat trachten op te delven v. 4.

*) d. i. Haar bekomen en waardeeren als blijvend beginsel der wijsheid en in die vreeze wandelend de kennis Gods vinden.

*) De ware wijsheid is niet vrucht van eigen vinding en menschelijk streven, maar hooge Godsgave. VgL Eccli. XXXIX 8; Jae. I 5.

5) Gelijk God in zijne schatkamers, vgL Deut. XXXII 34, straffen opgeborgen houdt voor zijne vijanden, zoo ook heil en zegen voor zijne vrienden.

Sluiten