Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPUT V. HOOFDSTUK V.

Het streven naar wijsheid behoedt voor ontucht en hare rampzalige gevolgen en onvermijdelijke straffen (v. 1—14, 21—23). Aanprijzing van kuische huwelijksliefde (v. 15—20).

1. Fili mi, attende ad sapientiam meam, et prudentie me» inclina aurem tuam,

2. Ut custodias cogitationes, et disciplinam labia tua conservent. Ne attendas fallaciae mulièris:

3. Favus enim distillans labia me* retricis, et nitidius oleoguttur ejus:

4. Novissima autem illius amara quasi absynthium, et aeuta quasi gladius biceps.

5. Pedes ejus descendunt in mortem, et ad inferos gressus illius penetrant.

6. Per semitam vita) non ambulant, vagi sunt gressus ejus, et investigabiles.

7. Nunc ergo fili mi audi me, et ne recedas a verbis oris mei.

8. Longe fac ab ea viam tuam, et ne appropinques foribus domus ejus.

1. Mijn zoon, houd mijne wijsheid voor oogen en neig uw oor tot mijn doorzicht1),

2. opdat gij bedachtzaamheid moogt behouden en uwe lippen de tucht mogen bewaren2). Sla geen acht op de verleidelijkheid eener vrouw;

3. want eene druipende honigraat zijn de lippen der hoer eer ster, en gladder dan olie is haar gehemelte8),

4. ten laatste echter is zij bitter als alsem en scherp als een tweesnijdend zwaard4).

5. Hare voeten dalen af naar den dood, en naar het doodenrijk ijlen hare schreden voort.

6. Zij bewandelen niet den weg des levens, ongestadig zijn hare schreden en onnaspeurlijk6).

7. Nu dan, mijn zoon, luister naar mij, en wijk niet af van de woorden van mijnen mond6).

8. Houd uwen weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis7),

') De aangeprezen waakzaamheid, IV 23 vv., en het streven naar wijsheid moeten behoeden tegen de groote verleiding der ontucht.

*) Bedachtzaamheid, voorzichtigheid in daden en in woorden. Sla geen aeht enz. ontbreekt in het Hebr.

') Hare woorden, zoet en liefelijk, dringen ongemerkt door in hoofd en hart.

•) Alsem (vgl. Deut. XXIX 18), is in de H. Schrift het zinnebeeld van bitter leed en harde straf; vgl. Jer. IX 15. Alsem en tweesnijdend zwaard vormen de tegenstelling op honig en olie: weldra vindt men bittere wroeging en den dood naar ziel en lichaam; vgl. v. 5.

*) Hebr.: «opdat zij den weg des levens niet betrede, zijn hare schreden wankelend en zij weet het niet». De zin is: bij haar, die met de slaven van den

wellust naar de diepten des verderfs is voortgehold, v. 5, valt niet te denken aan eenen terugkeer op den weg, die opwaarts ten leven voert (vgl. XV 24); hoe zou dat mogelijk zijn voor haar, die steeds ongestadig was in hare gangen, slechts geleid door hare driften, en in hare verblindheid nog hare eigen ellende niet bespeurt

*) De vermaning van v. 1 met nadruk herhaald.

') De vlucht is in dergelijke zaak naar het eenparig getuigenis der Heiligen het eenige veilige middel ter zegepraal; vgl. I Oor. VI 18. Die vermetel het gevaar te gemoet gaat, stelt zich bloot aan het verlies van eer en leven, van fortuin en gezondheid, en berokkent zich bitter naberouw, gelijk in de volgende verzen wordt aangeduid.

Sluiten