Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

CAPUT VI.

HOOFDSTUK VI.

Waarschuuring tegen het lichtvaardig aangaan van borgtocht (v. 1—5), en tegen luiheid (v. 6—11). De valschaard en zijn ondergang (v. 12—15). Zeven ondeugden, gruwelen voor den Heer (v. 16—19). Vermaning tot getrouwheid aan ouderlijke lucht (v. 20—23), om daardoor behoed te worden tegen ontucht en hare rampzalige gevolgen (v. 24—85).

1. Fili mi, si spoponderis pro amico tuo, defixisti apud extraneum manum tuam,

2. Hlaqueatus es verbis oris tui, et captus propriis sermonibus.

3. Fac ergo quod dico fili mi, et temetipsum libera: quia incidisti in manum proximi tui. Discurre, festina, suscita amicum tuum:

4. Ne dederis somnum oculis tuis, nee dormitent palpebrse tuse.

5. Eruere quasi damula de manu, et quasi avis de manu aucupis.

6. Vade ad formicam o piger, et considera vias ejus, et disce sapientiam:

7. Quae cum non habeat ducem,

nee praeceptorem, nee principem, I

1. Mijn zoon, hebt gij borg gesproken voor uwen vriend, den handslag gegeven bij eenen vreemde1),

2. dan zijt gij verstrikt door de woorden van uwen mond en gevangen door uwe eigen reden*).

3. Doe dan, mijn zoon, wat ik zeg en maak u zeiven vrij; want gij zijt gevallen in de hand van uwen naaste*). Loop, loop, rep n, pres uwen vriend;

4. gun aan uwe oogen geenen slaap, noch sluimering aan uwe oogleden4);

5. maak u vrij gelijk eene gazelle zich losrukt uit de hand5), en een vogel uit de hand van den vogelaar.

6. 6a tot de mier, o luiaard, en sla hare wegen gade en leer wqsheid.

7. Zq toch, al heeft zij geen aanvoerder, geen heer of opperhoofd6),

*) Alle woeker was den Israëlieten bij de wet van Moses althans tegenover Israëlieten streng verboden (vgl. Levit. XXV 36; Deut. XXIII 20); maar des te meer gebeurde het, dat iemand borg bleef Voor een ander, waarschijnlijk vooral voor eenen vreemden handelaar. Bij eenen vreemde, Hebr. meer parallel met het eerste lid voor eenen vreemde.

') De gedachte twee malen met nadruk uitgesproken om de groote onvoorzichtigheid in het licht te stellen.

*) Fa* uwen naaste, Hebr. hetzelfde woord als in v. 1 voor uwen vriend : van dien vriend hangt gij af, als hij niet betaalt, zult gij als borg aangesproken worden; daarom doe uw uiterste best om hem te bewegen tot vervulling zijner verplichtingen, waarvoor gij borg gesproken hebt. Rep u, Hebr. val hem te voet.

') De. H. Gregorius de Groote (Pastoral. III 4) past deze vier verzen toe

I op de zielenherders, die ook eens rekenschap aan God zullen moeten afleggen over de wijze, waarop zij de hun toevertrouwde kudden tot God hebben

1 gebracht.

6) Wij vinden ook hier niet de verheven leer, door Christus en zijne Apostelen aanbevolen Lue. VI 30 volg.; I Cor. VI 7; evenwel mag de vermaning hier gegeven niet beschouwd worden als ingegeven door of leidend tot egoïsme. Zij is gericht tegen het lichtvaar-

! dig borg blijven, waardoor men zich m

! gevaar stelt zich zeiven en zijn gezin

| ten gronde te richten, en daarbij dikwerf in zedelijke ellende te vervallen;

! bovendien wordt hier blijkbaar gedacht aan eenen zelfzuchtigen en onwüligen vriend, die zelf zou kunnen betalen: tegenover zulk eenen vriend past dubbele omzichtigheid.

6) De mier als toonbeeld van vlijt en arbeidzaamheid voorgesteld aan den

I mensch. Slechts door instinct gedre-

Sluiten