Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

et lez lux, et via vit» increpatio disciplin»:

24. Ut custodiant te a muliere mala, et a blanda lingua extraneae.

25. Non concupiscat pulchritudinem ejus cor tuum, nee capiaris nutibus illius:

26. Pretium enim scorti vix est unius panis: muiier autem viri pretiosam animam capit.

27. Numquid potest homo abscondere ignem ih sinu suo, ut vestimenta illius non ardeant?

28. Aut ambulare super prunas, ut non comburantur plant» ejus?

29. Sie qui ingreditur ad mulierem proximi sui, non erit mundus cum tetigerit eam.

30. Non grandis est culpa, cum quis furatus fuerit: furatur enim ut esurientem impleat animam:

31. Deprehensus quoque reddet septuplum, et omnem substantiam domus suaa tradet.

! en de onderrichting een licht, es een weg ten leven zijn terechtwijzingen der tucht16), —

24. opdat zij u behoeden voor een slecht vrouwmensch en voor de flu-

| weelen tong eener vreemde.

25. Laat uw hart niet belust worden op hare schoonheid, en laat u niet vangen door hare lonken17).

26. Want eene hoer is ternauwernood een stuk brood waard, maar een andermans vrouw rooft een kostelijk leven18).

27. Kan wel iemand vuur bergen in zijnen boezem, zonder zijne kleederen te zengen?

28. Of wandelen op gloeiende kolen, zonder zijne voetzolen te branden?

29. Alzoo is het ook met hem, die ingaat tot de vrouw van zijnen naaste: hij zal niet rein19) zijn als hij haar aanraakt.

30. Het is geene groote misdaad als iemand steelt; hij steelt immers om zijnen hongerigen buik te vullen20);

31. en als hij betrapt wordt, kan hij zevenvoudige vergoeding geven, ja, hij kan afstand doen van al de

I have van zijn huis21);

u) Dit vers is eene tusschenrede, zoodat v. 24 aansluit aan v. 22.

1T) Om de booze lusten en begeerten verwijderd te houden uit het hart, is gestadige waakzaamheid der zintuigen, vooral der oogen, noodzakelijk: vel. Job XXXI 1.

") De rampzalige gevolgen van ontucht en vooral van overspel worden nu aangeduid. Naar de Vulgaat is de zin: Ontucht gepleegd met een zoo verachtelijk wezen, dat zich met een stuk brood laat wegzenden, is eene schandelijke daad, maar hoogst gevaarlijk bovendien is het, diezelfde daad te plegen met eene gehuwde vrouw, wegens de straf op echtbreuk vastgesteld (vgl. Deut. XXII 22) en wegens de wraak van den beleedigden echtgenoot. In het redeverband past beter de tegenstelling in het Hebr.: «ter wille van eene koer (wordt men gebracht) tot een stuk brood, d. i. tot den bedelstaf; maar een andermans vrouw maakt I

jacht op een kostelijk leven*.

") Niet rein, d. i. onrein en tevens strafwaardig, gelijk het Hebr. uitdrukt.

*°) Overspel in zijne gevolgen vergeleken met diefstal. Dief staf gepleegd in hoogen nood is geene groote misdaad. Met dezen zin van de Vulgaat stemt overeen het Hebr.: Men veracht niet, d. i. men behandelt hem niet als een groot misdadiger, den dief, als hij steelt om zijnen buik te vullen.

") Ook wanneer diefstal uit hebzucht gepleegd wordt, heeft de dief bij ontdekking niet de rampzalige gevolgen van overspel te duchten. De Wet (vgl. Exod. XXII 1) eischt ten hoogste vijfvoudige teruggave van het gestolene; maar mocht ook het zevenvoudige, d. i. eene onbepaald hooge boete, geëischt worden, of afstand van geheel het bezit, de dief zou althans op die wijze het leven kunnen behouden; niet aldus de overspeler; vgl. v. 32.

Sluiten