Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18. Veni, inebriemur uberibus, et fruamur cnpitis amplexibus, donec illacescat dies.

19. Non est enim vir in domo sna, abiit via longissima,

20. Saccnlum pecunia; secum tulit: in die plenae lunae reversurus est in domum suam.

21. Irretivit eum multis sermonibus, et blanditüs labiorum protraxit illum.

22. Statim eam sequitur quasi bos ductus ad victimam, et quasi agnus lasciviens, et ignorans quod ad vincula stultus trabatur,

23. Donec transfigat sagitta jecur ejus: velut si avis festin et ad laqueum, et nescit quod de periculo animas illius agitur.

24. Nunc ergo fili mi, audi me, et attende verbis oris mei.

25. Ne abstrahatur in viis illius mens tua: neque decipiaris semitis ejus.

26. Muitos enim vulneratos dejecit, et fortissimi quique interfecti sunt ab ea.

") Van zijnen kant is derhalve niets te vreezen.

") Onze Hebreeuwsche tekst en de vertalingen zijn beide hier in v. 22 en 23 duister. Blijkbaar wil de schrijver de dwaze handelwijze van den jongeling in het licht stellen. Volgens de Vulgaat is de zin: Gelijk een rund, een lam, een vogel dom en dartel en onbesuisd den dood te gemoet gaan, zoo ook die jongeling. Verstrikt in het netwerk harer redeneeringen en meegesleept door hare vleitaal, v. 21, volgt hij haar blindelings en bemerkt in zijne dwaasheid niet, dat hij, in de ketenen van den wellust geslagen, zijn zedelijk en lichamelijk leven gaat verwoesten, totdat de zonde gepleegd is en daardoor de pijl des doods hem getroffen heeft. Volgens de voorstelling der ouden is de lever de zetel der zinnelijke gevoe-

18. Kom, laat ons dronken worden van minne en het genot der zoo begeerde omhelzingen smaken tot het krieken van den dag.

19. Want de man is niet tehuis, hij is uitgegaan, op reis, zeer ver12);

20. den geldbuidel heeft hij meegenomen, ten dage der volle maan

> zal hij naar huis terugkeeren.

21. Zij verstrikt hem in het netwerk harer woorden, en door de

I vleitaal harer lippen troont zij hem mede.

22. Op staanden roet volgt hij I haar als een rond, ter slachting

geleid, en als een dartel lam; en j hij weet niet, de dwaas, dat hij in ! boeien wordt geslagen1*),

23. totdat de pijl zijne lever door; boort; — als een vogel, die zich

rept naar den strik zonder te weten, dat het om den prijs van zijn leven gaat.

24. Nu dan, mijn zoon, luister naar mij en geef acht op de woorden van mijnen mond.

I 25. Dat uw hart zich niet late 1 wegsleuren14) op hare wegen, en dool niet af op hare paden. 26. Velen toch heeft zij verwond en neergeveld, ja zelfs de dapper| sten heeft zij doen sneven1*).

lens en hartstochten; daarom is hier

spraak van het doorboren van de tever. Voor 'als een dartel lam» enz. staat in het Hebr.: «en als eene voetboei ter tuchtiging van den dwaze», hetgeen verstaan kan worden : als een geboeide ter tuchtiging, hij, de dwaas, of als een

1 dwaas, die in voetboeien wordt geklon¬

ken.

a. 1. v an nei paa aer ueugu eu meesleepen op hare paden; wandelen op hare paden is altijd dolen.

**) Sterken als Samson, heiligen als David, wijzen als Salomon. «Wier werken, zegt Thomas a K., lofwaardig schenen te zijn, zijn vervallen tot de diepste laagheden, en die het Brood der Engelen aten, heb ik zich te goed zien doen aan het draf der zwijnen». Daarom geldt ook hier: «wie meent te staan, zie toe i dat hij niet valle», I Cor. X 12.

I

Sluiten