Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27. Vin inferi domus ejus, penetrantes in interiora mortis.

27. Eene veelheid van wegen ter helle is hare woning, zij loopen uit in de binnenkameren des doods16).

CAPUT VIII.

HOOFDSTUK VIII.

De Wijsheid noodigt openlijk alle menschen uit om hare lessen te volgen, Zij predikt waarheid en recht, deelt de edelste gaven, de kostbaarste goederen uit (v. 1—21). Zich openbarend als Persoon beschrijft Zij haren eeuwigen oorsprong, hare werkzaamheid bij de schepping, hare liefde tot den mensch (v. 22—31). Hernieuwde vermaning: heil slechts hem, die de lessen der Wijsheid opvolgt (v. 32—36).

1. Numquid non sapientia clamitat, et prudentia dat vocem suam ?

2. Da summis, excelsisque verticibus supra viam, in mediis semitis stans,

3. Juxta portas civitatis in ipsis foribus loquitur, dicens:

4. O viri, ad vos clamito, et vox mea ad filios hominum.

5. Intelligite parvuli astutiam, et insipientes animadvertite.

6. Audite, quoniam de rebus magnis locutura sum: et aperientur labia mea, ut recta praedicent.

7. Veritatem meditabitur guttur meum, et labia mea detestabuntur impium.

") d. i. Langs tal van wegen worden de ongelukkigen gebracht m het huis der ontucht, maar al die wegen loopen uit in de binnenkameren des doods. Vgl. II 18.

*) Onder de Wijsheid kan hier verstaan worden of de geschapen wijsheid, die als afstraling van Gods wijsheid ligt uitgespreid over geheel de schepping: of beter de eeuwige, ongeschapen Wijsheid, God zelf. Zij treedt sprekénd op om den mensch uit te noodigen, door het opvolgen harer lessen te verwerven die ware menschelijke wijsheid, die eene kostbare gave des H. Geestes, eene eindige mededeelir.^ der Wijsheid

1. Roept de Wijsheid1) niet luide, en verheft de Verstandigheid niet hare stem1)?

2. Op de hoogten en de meest verheven punten aan den weg, midden op de paden, daar staat Zij.

3. Nabij de poorten der stad, aan den ingang zelf spreekt Zij en zegt:

4. O, mannen, tot u gaat mijn roep, en mijne stem tot de kinderen der menschen3).

5. Onderricht u, o, kleinen, in schranderheid, en gij, dwazen, streeft naar inzicht.

6. Luistert, want van grootsche dingen ga Ik spreken, en mijne lippen zullen zich openen om hetgeen reoht is te verkondigen

7. Waarheid zal mijn gehemelte betrachten, en mijne lippen zullen goddeloosheid verfoeien4).

Gods is. Vgl. Inleiding blz. 11.

') De verleiding schuwt het licht, zoekt de duisternis (vgl. VII 9 vv.); de Wijsheid treedt openlijk op, Zij verheft hare stem, op de hoogten, nabij de poorten enz., v. 2 en 3, overal, waar de menschen plegen saam te stroomen, waar hare roepstem de menigte kan bereiken.

") Allen noodigt zij uit: de mannen, die reeds gevorderd zijn op den weg van deugd en godsvrucht, de kleinen, v. 5, of die nog slechts de eerste beginselen der wijsheid volgen, en zelfs de dwazen, die tot dusverre hare lessen veronachtzaamd hebben.

*) Afkeerig van alle goddeloosheid

Sluiten